Heerlijk bezig zijn met groen

illustratie Martien ter Veen

De vriendelijke setting van de rumoerige gangen met de geluiden van zaagmachines en lasapparaten en de kantine met de kleine beeldjes en glas in lood-vaasjes op de vensterbanken was nu vervangen door een grote, overwegend witte ruimte vol witte tafels en felgekleurde stoelen die door moesten gaan voor design.

Ik was om even voor half acht verschenen, precies zoals mij opgedragen was door mijn contactpersoon bij de Reclassering. Ik moest zorgen voor warme sokken en warme onderkleding, voor de rest was gezorgd.

Ik kreeg een paar werkschoenen met stalen neuzen aangereikt met de vraag of ik weinig of een beetje pijn wilde – wat ging over het model: een laag model dat knelde bij de tenen of een hoog model dat knelde bij de enkels.

„Is maximale pijn ook een optie?” vroeg ik, maar ze hoorden me niet want achter mij vormde zich een grote groep in donsjassen geklede jongens en mannen die zich tegen de schoenenbalie aan drukten en lukraak begonnen te schreeuwen tegen de medewerkers. „Ik wil die stinkpatta’s niet, meneer! Geef me die daar rechts!” hoorde ik naast mij een jongen zeggen die ik zojuist zijn Woolrich-parka had zien inruilen voor een lichtgevend geel regenpak. Iedereen zat te gapen en keek naar de grond. Er werd loom in koffie geroerd en hier en daar zag ik iemand ontbijten.

Ik keek naar mijn fluorescerende hesje dat nu over mijn jas zat en fluisterde tegen een donkere jongen naast me dat de ruimte me deed denken aan een huis van bewaring.

„Dat is het eigenlijk ook, niets meer en niets minder,” zei hij, „in welke bus zit jij G?”

Er waren zestien bussen die elk maximaal zeven mensen konden vervoeren, was me verteld. Toen ik binnengekomen was, hadden ze me gevraagd of ik propjes wilde prikken of wilde schoffelen. Ik had voor schoffelen gekozen en kreeg een geplastificeerd kaartje in mijn handen gedrukt waar een nummer op stond.

„Bus negen”, zei ik toen ik het kaartje uit mijn broekzak gehaald had. „Dat is een goede werkmeester, je hebt geluk broer,” zei de jongen.

De werkmeester was een kleine pezige Marokkaanse man die iets weghad van acteur Toni Servillo. Hij droeg een klein blauw mutsje en gaf elke taakstraffer bij het naar binnen stappen in zijn bus een hand en vroeg naar de namen van de mensen die hij nog niet kende.

„Ik wil even weten welk soort vlees ik in mijn bus heb”, zei hij. „David”, zei ik toen ik zijn bus in stapte. „Welkom David, vriend”, zei hij, „ga lekker zitten, broer.”

„Zo jongens, goedemorgen, wij gaan naar Amsterdam-Oost, we gaan er een mooie dag van maken. Heerlijk bezig zijn met groen. Goed voor jullie, lekker voor mij”, zei de man die op Toni Servillo leek met een brede glimlach.

„Stop even bij die bakker, ik heb kanker veel honger!” riep een jongen vanaf de achterbank toen we vijf minuten onderweg waren.

Toni Servillo wierp een boze blik door de spiegel naar achteren, schudde zijn hoofd langdurig en mompelde: „Wat ontzettend jammer dit, wat een gemiste kans, broer.”

„Oké”, zei de jongen, „Aardige meneer de werkmeester, zou het mogelijk zijn om even een minuutje te stoppen bij een bakker?”