Vlees, vel en veren voor het vaderland

De Eerste Wereldoorlog was meer dan een strijd tussen grootmachten. Ook het dierenrijk vocht mee. Over deze oorlogshelden (en lastpakken) is nu een expositie in Maastricht.

Een gasmasker voor honden, een postduifspionagecamera: allemaal attributen die te zien zijn op de expositie. Foto’s Natuurhistorisch Museum Maastricht
Een gasmasker voor honden, een postduifspionagecamera: allemaal attributen die te zien zijn op de expositie. Foto’s Natuurhistorisch Museum Maastricht

Toen ze aankwam, was ze meer dood dan levend. Haar linkeroog was kapotgeschoten. Een kogel had haar borst doorzeefd, haar rechterpoot bungelde aan een pees. Maar postduif Cher Ami had haar boodschap overgebracht – en daarmee redde ze op 3 oktober 1918 het leven van 194 Amerikaanse militairen.

Het regiment van majoor Charles Whittlesey was in het noordoosten van Frankrijk omsingeld geraakt door Duitse troepen. De militairen hadden geen munitie of eten en lagen tot overmaat van ramp onder eigen vuur van artillerie. Alleen hun overlevingsdrang resteerde nog – en een mandje met drie postduiven.

De eerste duif (die de lucht in was gestuurd met het bericht ‘Many wounded - we cannot evacuate’) werd door de Duitsers doodgeschoten. Duif twee (‘Men are suffering. Can support be sent?’) stierf zodra hij over de vijand heen vloog.

Eén duif resteerde nog, een laatste kans: Cher Ami. ‘For Heaven's sake, stop it’, stond in het bericht dat aan haar pootje werd gebonden. En daar ging ze, de lucht in, op weg naar de Amerikaanse thuisbasis. Ruim dertig kilometer hemelsbreed. Zodra de Duitse militairen haar uit de bosjes zagen opstijgen openden ze het vuur, maar Cher Ami vloog door terwijl de kogels om haar heen vlogen. Binnen een half uur bereikte ze haar doel. De boodschap was overgekomen, en de omsingelde Amerikanen werden door hun landgenoten bevrijd.

Het was de laatste heldendaad van de duif. Ze werd onderscheiden met het Croix de Guerre, een Franse onderscheiding voor moed. Haar gewonde poot werd geamputeerd en vervangen door een houten exemplaar; na een paar weken herstel werd ze per schip teruggezonden naar haar thuisland, Amerika. Maar kort na haar thuiskomst, begin 1919, ging ze dood.

Een heldhaftige postduif als oorlogsveteraan: het lijkt een mooie anekdote. Maar het verhaal van Cher Ami staat niet op zichzelf. De Eerste Wereldoorlog was meer dan een strijd tussen het Oostenrijks-Hongaarse Rijk, het Duitse Keizerrijk, het Britse Rijk en al die andere grootmachten. Ook het dierenrijk deed mee.

Helden, maar ook lastpakken

Honden, paarden, duiven, ratten, katten, kanaries, zelfs een incidentele olifant: allemaal speelden ze tussen 1914 en 1918 een belangrijke rol. „Soms een heroïsche rol, soms juist niet”, zegt Marianne Lubrecht, gastconservator van het Natuurhistorisch Museum Maastricht. Ratten, bijvoorbeeld, maakten de oorlogsellende alleen maar groter: ze verspreidden ziektes, knaagden aan voedselvoorraden en aan lijken. Over al die oorlogsdieren richtte Lubrecht de mini-expositie Helden en Lastpakken in.

Een gasmasker voor paarden, een metalen ‘rattenzakje’ (waarin voedsel veilig kon worden opgeborgen), een postduifspionagecamera: allemaal attributen die te zien zijn op de tentoonstelling. Maar vooral zijn er foto’s. Heel veel foto's. Van ‘ambulancehonden’ in Rode Kruis-hesjes die medicijnen naar gewonde militairen brachten, van honden die telegraafdraden door de loopgraven trokken, van kanaries die gifgas moesten detecteren, van glimwormen als ‘zaklampen’ in glazen potjes, van een wit paard dat werd geverfd: zwart was een betere schutkleur.

Lubrecht: „Paarden waren volstrekt onmisbaar in de oorlog. Elk paard werd gevorderd.” In Engeland schreven meisjes zelfs hartverscheurende brieven naar de koningin: of ze alstublieft hun paard mochten houden. „Tevergeefs. Al die dieren moesten naar het front. Als oorlogsmaterieel.”

Door het tekort aan paarden waren particulieren soms genoodzaakt om originele oplossingen te zoeken. In het Engelse Sheffield woonde een schroothandelaar die nu geen trekkrachten meer had om zijn karren vol oud metaal te vervoeren. Toen er een rondreizend circus in de stad arriveerde, heeft hij hun olifant gekocht: Lizzie. Ze kreeg speciale schoenen aan, tegen de metaalsplinters.

Dat Cher Ami een oorlogsonderscheiding kreeg, laat zien hoe innig de band met dieren was. „Militairen wilden op hun sterfbed soms koste wat kost nog afscheid nemen van hun paard, hun trouwe metgezel”, vertelt Lubrecht.

Maar in de regel won de ratio het vaak van de emotie. Een Vlaamse duivenhouder stak in augustus 1914 zijn duiventillen met 2.500 duiven in brand. Liever dat, dan dat ze in handen zouden vallen van de Duitsers. In de Antwerpse Zoo werden een dag voor de oorlog uitbrak alle wilde dieren doodgeschoten. „Want wat als de kooien zouden sneuvelen en de tijgers zouden ontsnappen? Dan zou de chaos compleet zijn.”

Eigen duiven eerst

In de oorlog kregen dieren opeens ook een nationaliteit. Eigen duiven waren geliefd, maar de duiven van de vijand werden zonder pardon uit de lucht geschoten. Lubrecht: „In Groot-Brittannië hadden veel oorlogsgewonden na de oorlog een hulphond nodig. Duitse herders zijn als blindengeleidehond ideaal, maar het blindeninstituut wilde ze niet, vanwege hun afkomst.”

Toch konden dieren ook voor tijdelijke verbroedering zorgen. In februari en juli 1917 werd er aan het Oostfront een staakt-het-vuren uitgeroepen. Zowel de Duitsers als de Russen hadden last van wolven, die gewonden aanvielen en er met rantsoenen vandoor gingen. Vergif en kogels hielpen niet. Toen hebben de regimenten de handen ineengeslagen en de wolven samen uitgeroeid. Daarna ging de strijd weer verder.

Andere gemeenschappelijke vijanden waren kleiner: luizen en aasvliegen bijvoorbeeld. De vliegen brachten tyfus en loopgravenkoorts over. Lubrecht: „Maar aan een effectieve manier om ze uit te roeien, ontbrak het.” Om verspreiding van luizen tegen te gaan werden zowel de militairen als hun paarden geschoren. „Die paarden stierven in de winter vervolgens soms door de kou.”

Naast helden en lastpakken was er nog een derde categorie oorlogsdieren. Zij die vlees, vel en veren voor het vaderland hebben moeten afstaan, in de woorden van Lubrecht. Bomkraters raakten vaak snel gevuld met water, en daar kwamen dan kikkers en weidevogels op af. Je zou kunnen zeggen dat ze tijdelijk profiteerden van de oorlog, door die nieuwe territoria, maar ze werden vervolgens algauw opgegeten door hongerige militairen.

Mollenpootje in de worst

Ook mollen waren vaak de pineut. „Er zit natuurlijk maar heel weinig vlees aan zo'n molletje, maar mensen aten alles wat ze eten konden.” In de ‘eenheidsworsten’, de goedkope worsten met slachtafval die in de oorlog werden gegeten, werd weleens een mollenpootje aangetroffen.

In tijden van voedselschaarste konden zelfs lastpakken hun nut bewijzen. Zo nu en dan werden er ratten gegeten. Er bestaat zelfs een verhaal over een soldaat die wakker werd en zag hoe op zijn buik twee ratten om de hand van een lijk vochten.

De Eerste Wereldoorlog was niet de eerste oorlog waarin dieren een belangrijke rol speelden, benadrukt Lubrecht. „Napoleon wist muggen in zekere zin tot zijn bondgenoten te maken. Hij dreef zijn vijand in een moeras waar malariamuggen voorkwamen. Het merendeel van die militairen overleed vervolgens aan een combinatie van uitputting, ondervoeding en malaria.”

De laatste oorlog met dieren was het evenmin - ook uit de Tweede Wereldoorlog zijn honden- en paardengasmaskers bekend, evenals duivenparachutes (waarmee postduiven in mandjes konden worden gedropt).

Toch werd door technologische vooruitgang de inzet van oorlogsdieren minder belangrijk, en heldenduiven als Cher Ami steeds zeldzamer. „De Eerste Wereldoorlog is in dat opzicht gelukkig een kentering.”