Van jatten uit Pompeï krijg je spijt

De antieke stad gaat voorwerpen exposeren die zijn meegenomen door toeristen. De dieven kregen spijt en kwamen terug, soms huilend.

Pompeï is te groot om goed te bewaken en kent een lange geschiedenis van roof.
Pompeï is te groot om goed te bewaken en kent een lange geschiedenis van roof.

Eigenlijk is het een tentoonstelling over schuldgevoel. In Pompeï zullen binnenkort honderden voorwerpen te zien zijn die ooit uit de antieke stad zijn meegenomen door toeristen, maar die zij later hebben teruggegeven. De meesten deden dat per post, soms met een brief vol verontschuldigingen. Anderen kwamen er speciaal voor over naar Italië.

De hoofdopzichter van Pompeï, die de expositie vorige week aankondigde, kwam op het idee nadat een dame uit Canada zich in november 2014 huilend had gemeld bij de bewaking van de toeristische attractie. Ze had vijftig jaar eerder een stenen decoratie in haar handtas gestopt: een maskertje dat van de poort was gevallen die toegang bood tot het theater van Pompeï. De vrouw, Lisa Carducci, was op huwelijksreis. Het maskertje had ze meegenomen naar Montreal.

Pompeï is de belangrijkste archeologische opgraving van Italië. Een plotselinge uitbarsting van de vulkaan Vesuvius, in 79 na Christus, stortte lava over de stad, die daaronder eeuwenlang nagenoeg intact is gebleven.

Er is meer aan de hand

Intact is Pompeï al lang niet meer. De stad is te groot om goed te bewaken en kent een lange geschiedenis van roof. De Bourbonkoningen klaagden er in de achttiende eeuw al over, toen de eerste grootschalige opgravingen plaatsvonden. En afgelopen week maakte de Italiaanse politie bekend een kunstroversbende van veertien man te hebben opgepakt die geroofde antiquiteiten ter waarde van 50 miljoen euro in hun bezit hadden, waaronder delen van een groot fresco uit een villa in Pompeï.

De hoofdopzichter, Massimo Osanna, meent dat volkslegendes de antieke stad te hulp schieten. Zo zou het verhaal de ronde gaan dat zij die stelen uit Pompeï, worden achtervolgd door ongeluk.

Ergens is dat jammer. Het zou betekenen dat zijn geplande expositie niet over schuldgevoel gaat, maar over ingecalculeerd eigenbelang. De ervaren pech weegt voor de spijtoptanten kennelijk niet meer op tegen het genoegen een tweeduizend jaar oud souvenir in bezit te hebben.

Mooier is als door de expositie juist het geweten opspeelt: dat zou de vele landen die kunst terugeisen een hart onder de riem kunnen steken.

Neem Griekenland. Het land wil de beelden terug die de Britse Lord Elgin in het begin van de negentiende eeuw meenam naar Engeland. Hij sloopte ze van de Acropolis in Athene. Ook Elgin was een toerist die een souvenir mee wilde nemen: hij had de beelden bedacht voor zijn landhuis. Ze staan nu in het Brits museum in Londen.

Helaas voor Griekenland staan ze daar als pronkstukken van de westerse beschaving, niet als getuigen van schuldgevoel. Maar het denken over roofkunst staat niet stil – dus wat niet is, kan komen – en Pompeï geeft dat denken graag een duwtje.