Toon Verhoefs blokken vallen als rondsuizende meteorieten

Toon Verhoef, Zonder titel (2014, olieverf en acryl op doek, 280×500 cm)
Toon Verhoef, Zonder titel (2014, olieverf en acryl op doek, 280×500 cm) Foto Peter Cox, courtesy Galerie Onrust

De nieuwe schilderijen van Toon Verhoef (1946) in De Pont zijn robuust en sensueel. Ze zijn groot, vaak 280×500 cm, met composities van blokvormen. Vergeleken met eerder werk zijn ze minder tekenachtig en minder lineair. Verhoef, die al decennia bouwt aan een oeuvre waarin de spanning tussen figuratie en abstractie, tussen object en non-object, hoog wordt opgevoerd, is hier een klassiek-modern schilder op de top van zijn kunnen.

Zijn werkwijze is tijdrovend. Verhoef beschildert met dunne lagen acryl vellen lexan (plexiglas) waarin gaten zijn uitgespaard. Deze blokvormen krijgen een contrasterende kleur. De vellen plakt hij ondersteboven op het doek en bestrijkt ze met doorzichtige lagen olieverf. De schilderijen zijn dus als het ware binnenstebuiten gekeerd en de composities worden gespiegeld getoond. Ieder doek bestaat uit deze beschilderde vellen in twee rijen van vijf boven elkaar, als een raster van kaders. Het zorgt voor een sterk ruimtelijk effect.

In deze reeks uit 2014 gaat het om een ambivalentie van de waarneming. De blokvormen ogen als compacte voorwerpen, als bakstenen of meteorieten die naar beneden vallen in een oneindig niets. Tegelijk zijn ze ijl en doorzichtig geschilderd. De bakstenen vallen van de bovenste rij naar beneden in de onderste rij, alsof je dezelfde stenen ziet, maar dan een moment later. Tegelijkertijd ‘lees’ je de schilderijen ook van links naar rechts. Twee tegengestelde bewegingen dus, of twee tijdservaringen: de ‘leesrichting’ is de lineaire en chronologische tijd, als in een strip over rondsuizende meteorieten; de andere beweging toont een uitvergroot en specifiek moment, een ‘event’ of een vertraagde gebeurtenis.

Eén schilderij heeft geen raster, maar bestaat uit één enkel veld of kader. Hier valt een goudkleurige steen naar beneden. Ook hier doet zich die ambivalentie voor waarbij onduidelijk is of je kijkt naar een reeks momenten in de val van dezelfde steen, of naar vallende stenen onder elkaar.

Hoe karig de verf ook is opgebracht, de textuur is rijk: gepoetst, geboend, gewreven, weggeschraapt, doorlekkend aan de randen, overlappend. Bij dubbele lagen ontstaat een diepere kleur. In sommige schilderijen is de kleurstelling sober, enkel rood en wit, in andere is die uitbundig, met roze, goudgeel, oranje en groen.

Alle vormen in zijn schilderijen, zegt Verhoef, komen uit de wereld der dingen. Hij wil die wereld laten zien als een fysieke en zintuiglijke gewaarwording. Zoals dat in feite op ieder moment van de dag mogelijk is: het daglicht in de kamer en tegelijk het licht van de lamp, spiegelingen in het raam, een auto buiten die gefragmenteerd wordt door de raamkozijnen. Het recente werk van Verhoef bevrijdt ons uit de dagelijkse, instrumentele kijk op de wereld.