Strak ingesnoerd in korset en tableau

Was het een grote romantische daad, of eerder een bijna sadomasochistische bevlieging, het zelfmoordpact waarmee de Duitse dichter Heinrich von Kleist en Henriette Vogel in 1811 een einde aan hun leven maakten? De Oostenrijkse Jessica Hausner stelt die vraag in Amour fou, en eigenlijk zegt die titel al alles: het was een obsessieve liefde, maar vooral een verliefdheid op de liefde zelf in het geval van Kleist, die zijn gehele leven op zoek was naar iemand om mee te sterven.

Met zoveel passie moet je niet gaan zwelgen, dus Hausner koos voor een strakke stijl die de personages niet alleen in hun toonkamers, jacquets en korsetten gevangen houdt, maar ook in een artificiële beeldtaal die meer verhult dan onthult.

Amour fou is beslist geen doorsnee romantisch kostuumdrama. Daarvoor is de stijl te kunstmatig, te formalistisch. De hele film zelf wordt daardoor een gevangenis, gestut door sociale codes en constructies. Alsof Robert Bresson, de Franse koning van het emotieloze acteren, een schilderij van Vermeer heeft geënsceneerd.

Hausner concentreert zich op het feit dat Vogel ziek was toen ze de deal met Kleist sloot, waardoor opeens een schat aan mogelijke motieven zichtbaar wordt. Was het medeleven? Een vlucht uit haar huwelijk? Was suïcide een snelle manier om aan het lijden te ontsnappen? Manipuleerde de zelfzuchtige Kleist haar? Ga je vanzelf van iemand houden als je een complot met hem smeedt? Of was het toch liefde, zoals de film tot slot laat echoën?

Dat het allemaal over de liefde gaat, dat is wat wij toeschouwers willen geloven, geconditioneerd door de Romantische Leugen. Hausner houdt die fictie prikkelend tegen het licht, in een even absurd als prikkelend essay over de vraag hoe vrij we eigenlijk zijn in ons handelen. Ze laat zien dat we altijd begeren omdat een ander begeert en dat we altijd datgene begeren wat een ander begeert. Niks liefde. Hausner reikt naar het leven zelf.