SkyMall verdwijnt. En het internet ook.

Slecht nieuws voor de luchtreiziger. SkyMall dreigt failliet te gaan. Voor wie nog nooit boven de VS vloog: SkyMall is een soort postorderbedrijf uit Arizona. Hun dikke catalogus zit in bijna elke Amerikaanse vliegtuigstoel – voor je, in dat vakje bij je knieën. Maar die formule is niet langer houdbaar in het digitale tijdperk.

SkyMall. Dat klinkt als een hemels winkelcentrum. In werkelijkheid is het een koopgids voor zeer aardse problemen. Vol met apparaten als de tredmolen voor onder het bureau (afvallen terwijl u werkt). Of de iPad-en-toiletrolhouder (werken terwijl u afvalt).

Typisch SkyMall: de iFetch, een ballenkanon voor de hond die zichzelf leert apporteren. De volautomatische kattenbak. De haarband met ingebouwde speakers. De spionagebril met camera, de magische douchekop met gekleurde verlichting, de gepatenteerde PikStik-grijper voor dingen waar je net niet bij kunt en de pickup/cassetterecorder/cd-speler/radiocombinatie uitgevoerd in echt nepmahonie.

Dit is het perfecte leesvoer voor de gadgetliefhebber. Ik was zo onder de indruk van mijn eerste SkyMall dat ik het tijdschrift uit het vliegtuig smokkelde. Deze gadgetbijbel bevestigt elk vooroordeel dat je van Amerikanen zou kunnen hebben. Hun voorkeur voor notenhout, plastic en de passie om problemen met Een Ding te lijf te gaan. Vandaar dat veel techblogs afgelopen week een ode aan SkyMall brachten – het was hun analoge voorloper, opgericht in 1990, 650 miljoen lezers en stiekem een beetje cultureel erfgoed.

SkyMall mag dan bijna geschiedenis zijn, de reflex om kleine hindernissen in het leven op te lossen met technologie is niet verdwenen. Afgelopen week stipte Google-coryfee Eric Schmidt nog eens aan hoe internettechnologie alomtegenwoordig zal worden. Niet voorbehouden aan computers en telefoons, maar de verbindende laag tussen alle elektronica.

„Internet gaat verdwijnen”, voorspelde Schmidt op het World Economic Forum in Davos. Dat is een goede one-liner. Hij bedoelt dat techniek zich zo perfect om je heen sluit, dat het naar de achtergrond verdwijnt. Als een butler op kousevoeten.

De kamers in je huis zullen zich ‘dynamisch’ aanpassen aan je behoeften en je gedrag. Googles troef in dat slimme huishouden is de Nest-thermostaat, die je aansluit op rookmelders, bewakingscamera’s, de airco, koelkast, enzovoorts. Allemaal met internet als stille kracht.

Zover is het nog niet.

Laatst ving ik een gesprek op tussen drie techjournalisten die de Nest bij zich thuis hadden laten installeren, op aandringen van de fabrikant. Ze waren blij met de optie om de verwarming op afstand uit te zetten. Zuinig enzo. Maar na een paar weken werden ze gek van de ‘lerende’ thermostaat die hun gedrag voorspelde en op eigen houtje de temperatuur opschroefde, ogenschijnlijk zonder enige reden. Technologie was niet verdwenen maar juist irritant aanwezig – in de vorm van een zwetend gezin op de bank.

Misschien gaven deze testers de Nest te weinig tijd. Apparaten worden pas echt smart als je meer gegevens deelt, zodat Nest (lees: Google) beter inzage krijgt in je gedrag. „Met permissie”, zou Eric Schmidt eraan toevoegen. Dat vereist geduld en grenzeloos vertrouwen in de partij die alle data verwerkt.

Ook zover is het nog niet.

Maar Schmidts blijde boodschap is duidelijk. Er wacht ons een hemelse oplossing voor aardse ellende als kille woonkamers en een koelkast die zichzelf niet bijvult. In de woning van de toekomst is alles een gadget, inclusief de bewoners. Iedereen krijgt zijn eigen SkyMall-huis.