Ouderdom, dood en die Chinees op dat vunzige matras

Regisseur James Napier Robertson had desgewenst mee kunnen doen aan de Tijgercompetitie in Rotterdam. „Maar mijn agent raadde dat af. De enige prijs die echt telt op het IFFR is de publieksprijs, zei hij.”

Kennelijk. Door de concurrentie van de prestigieuzere festivals Sundance en de Berlinale biedt Rotterdam nog maar weinig werkelijk interessante wereldpremières, maar als publieksfestival blijft het ijzersterk. Robertson ligt op koers om dit jaar de publieksprijs te winnen: zijn film The Dark Horse staat bovenaan met een gemiddelde score van 4,757 – 5 is perfect. Een rivaal dient zich nog niet aan: de ontroerende documentaire Ik ben Alice – over een experiment met pratende robots in de ouderenzorg – volgt op ruime afstand.

The Dark Horse biedt exotisch, rauw, maar hoopvol drama volgens beproefde Hollywoodformule: inspirerende leraar voert jonge underdogs naar de zege terwijl hijzelf innerlijke demonen overwint. De mentor in kwestie is het in 2011 plots overleden, bipolaire schaakwonder Genesis Poitini. Een Maori die met zijn schaakclub The Eastern Knights honderden jongeren uit de misdaad hield terwijl hij zelf vaak op straat sliep.

Een crowd pleaser? Niet al te nadrukkelijk, want het IFFR-publiek houdt net zomin van stroop smeren als van nihilisme, misantropie of spektakel. Serieus scoort, ontoegankelijk mag: de films van de huidige top-10 gaan over oorlog, ouderdom, de dood en mannelijk onvermogen. Een publieksprijs in Rotterdam vertaalt zich ook niet automatisch in succes elders. De lijst recente winnaars telt, naast een enkele hit als Slumdog Millionaire, vooral titels als Matterhorn, Persepolis of Eden: films die het matig of zelfs slecht deden in de gewone bioscoop. Het IFFR is een tijdelijke gemoedstoestand, zo lijkt het.

„De mensen zijn hier radicaler dan op andere filmfestivals”, constateert Robertson, die de publieksscores van zijn film gebiologeerd volgt. „Dat is verslavend, maar het moet nogal confronterend zijn dat ze hier de publieksscore van elke film geven. Kom je hier debuteren, eindig je als laatste. Ik zou me verhangen.”

Maar juist in die onderste regionen blijkt de ongewone tolerantie van het IFFR-publiek. Jauja scoort op plek 101 een 3: redelijk, niet slecht. En hekkensluiter Wang Bing kan gelukkig wel een stootje hebben: hij gaf het Rotterdam al eerder voor de kiezen met Tie Xi Qu: West of the Tracks: negen uur lang sneeuw, roest, kolen en murmelende arbeiders. In zijn Father and Sons ligt een Chinees anderhalf uur niets te doen op een vunzig matras: nog altijd een score van 2,5. Een intense ervaring, vertelde een festivalveteraan me deze week. Het IFFR heeft een publiek om te koesteren.