‘Met mijn foto’s open ik het raam naar vriendschap’

De Iraanse fotograaf Mohsen Rastani wilde in de jaren tachtig meevechten tegen het Iraakse leger van Saddam, tot hij bedacht dat zijn camera zijn wapen was. Nu is zijn fotoserie Iraanse families te zien in Amsterdam.

Als twintiger keerde Mohsen Rastani in 1982 terug naar zijn geboortestad Koramsjar, in het zuiden van Iran, tegen de grens met Irak. Rastani kwam uit Teheran, waar hij zich had voorbereid op het toelatingsexamen van de kunstacademie.

Gedurende zijn afwezigheid was Koramsjar veranderd in Kuninsjar, stad van bloed. Het Iraakse leger had de stad in november 1980 na langdurige bombardementen ingenomen, het begin van de oorlog tussen de buurlanden die liefst acht jaar zou duren. Toen Rastani terugkeerde, was de stad juist weer heroverd op de troepen van Saddam Hussein. Rastani: „Het eerste wat ik deed was zoeken naar een geweer, zodat ik kon helpen om de stad te verdedigen. Tot ik besefte dat mijn camera mijn wapen was. Voor mijn vertrek had ik veel stadgenoten geportretteerd. Velen daarvan waren gesneuveld. Mijn foto’s waren soms het laatste tastbare bewijs van hun bestaan. Familieleden en vrienden kusten mijn afdrukken, bewaarden ze thuis in hun Koran. Op een foto leeft iemand, voor altijd.”

Mohsen Rastani (57) is in Amsterdam. Hij is een van de deelnemers aan de tentoonstelling Opening Up, 9 artists from Iran, georganiseerd door de galerie Francis Boeske Projects en Klerkx International Art Management. Na veel moeite is het hun gelukt om voor Rastani een visum te krijgen.

Rastani laat in Amsterdam foto’s zien uit zijn serie ‘Iraanse families’, een project waar hij al ruim 20 jaar aan werkt. Van tijd tot tijd reist de fotograaf en filmmaker door zijn land. In dorpjes en steden bouwt hij met behulp van assistenten een provisorische studio waarin hij landgenoten tegen een wit doek kan portretteren. „De geportretteerden krijgen er iets eeuwigs door, iets mythisch. Zoals de mensen die in reliëf zijn uitgehouwen op de muren van Persepolis (het oude Perzische complex dat in Zuid-Iran is opgegraven, red.)”

Op straat spreekt de fotograaf voorbijgangers behoedzaam aan. Hij laat weten waar ze hem kunnen vinden als ze op de foto willen. Rastani: „Ik wil niemand lastigvallen. Als ze naar mijn studio komen, mogen ze zelf weten hoe ze zich willen presenteren.”

Zijn zwart-witproject stoelt op twee gedachtes. In de eerste plaats wil Rastani met portretten van soldaten, van boeren en stadsbewoners en van moeders en zonen het belang van verbondenheid onderstrepen. „De oorlog heeft onze ziel aangetast. Ons familieverband is de toekomst. Als die verloren zou gaan, verliezen we alles: onze taal, onze cultuur, ons respect.”

Daarnaast hoopt Rastani met zijn foto’s vriendschap tussen volkeren te bewerkstelligen. Omdat sommige geportretteerden zich voor zijn camera laten portretteren zoals ze zich binnenshuis kleden – bijvoorbeeld zonder hoofddoek of tamelijk westers – is het moeilijk om zijn foto’s in eigen land te tonen.

Rastani, in 2011 deelnemer aan de Biënnale van Venetië, heeft zijn ‘Iraanse families’ vooral in het buitenland geëxposeerd en hij werkt aan een boekpublicatie. „Ik toon de mensen uit Iran aan de wereld. Regeringen brengen ons niet bij elkaar. Maar via kunst kunnen we elkaar wel leren kennen. Met mijn foto’s open ik het raam naar vriendschap.”

    • Arjen Ribbens