Opinie

Man met rugzak

Nergens kun je de tijdgeest beter betrappen dan in de trein. Die van mij ging van Amsterdam naar Berlijn, maar ik moest er helaas al in Hilversum uit – eerder een werelddorp dan een wereldstad. Maar zover was het nog lang niet, toen ik een eigenaardig incident meemaakte waarin een man met een rugzak de hoofdrol kreeg.

Ik had hem kort voor het vertrek half bewust vanuit een ooghoek gezien, terwijl hij in het bagagerek naast mij een zwarte rugzak plantte. Daarna liep hij het lange gangpad van het compartiment uit tot hij uit het zicht was verdwenen. Ik ging door met het lezen van mijn ochtendkrant, nog niet zo lang geleden een normaal tijdverdrijf in de trein, maar tegenwoordig meer een achterhaalde gewoonte van nogal potsierlijke senioren.

Achter mij zat een vrouw van een jaar of vijftig, een geblondeerd, zwierig type, die beter opgelet had dan ik. Zij stond vlug op en liep naar een conducteur die in een belendende coupé met een collega zat te praten.

„Er heeft net een man een rugzak in het rek gezet, die daarna snel doorliep”, zei ze. „Ik vond het een beetje eng.”

De trein was inmiddels vertrokken en de conducteur liep met de vrouw naar het bagagerek, terwijl ik – eindelijk ook gealarmeerd – toekeek. De conducteur pakte de rugzak, trok de ritssluiting open en inspecteerde de inhoud. „Het lijkt mij niet ernstig”, zei hij.

„Ik vond het toch raar dat hij zoveel haast had”, zei de vrouw.

De conducteur knikte begrijpend. „Ik zal eens kijken of we hem kunnen vinden. Misschien zit hij op het toilet.”

Hij ging op onderzoek uit en kwam onverrichterzake terug. Toen pakte hij de rugzak op en overlegde met zijn collega. Kennelijk had hij in de rugzak een naam ontdekt, want even later hoorden we hem door de omroepinstallatie vragen: „Wil de heer...zich even melden bij de conducteur?” Het betrof een oer-Nederlandse achternaam waarvan de bezitter het op prijs zal stellen dat ik die hier niet noem.

Er viel even een stilte in het compartiment, reizigers wierpen een blik in het gangpad. Ik had mijn krant opzij gelegd, want je wilt toch je handen vrij hebben voor het geval de nood aan de man komt. Stel je voor dat de media later moeten melden: „Trein ontploft, man stikt in krant.”

Opeens naderde van verre een man door het gangpad. Het was een sportief geklede vijftiger op stevige loopschoenen. De conducteur stapte hem ferm tegemoet als een man die beseft wat in de ure des gevaars van hem verwacht wordt. „Is deze rugzak van u?” vroeg hij.

De reiziger bleef zwijgend staan, duidelijk overrompeld door de situatie.

„U moet dat in deze tijd niet meer doen”, zei de conducteur op vriendelijk-vermanende toon, „zomaar een rugzak neerzetten en dan vlug weglopen. Daar maken mensen zich zorgen over.”

De man knikte bedremmeld. „Ja, ja, u hebt gelijk”, zei hij zacht, „ik zat achterin de trein.” Hij nam de rugzak aan, keerde zich om en verdween.

„Ik ben blij dat het is opgelost”, zei de conducteur tegen de vrouw.

„Misschien was ik een beetje te angstig”, zei de vrouw.

„Nee, het was goed dat u dat deed, je hoort deze dagen zoveel rare dingen.”

Tien minuten later kwamen we in Hilversum aan, ongedeerd.

De gebroeders Kouachi en hun collega Coulibaly worden bedankt.