Ik schreef dit verhaal over ik-journalistiek

Een opvallende trend: journalisten die zichzelf opvoeren in artikelen. Waarom zien we dit zo vaak? Peter Zantingh ging op zoek naar de verklaring.

Toen ik erop ging letten(1 ), waren ze ineens overal: de stukken waarin de auteur zichzelf een rol geeft. CNN begon dit najaar met First Person, een serie persoonlijke essays. Buzzfeed riep rond dezelfde tijd lezers op hun ‘bijzondere, goed vertelde persoonlijke verhalen’ in te sturen. The New York Times zegt er actief naar op zoek te zijn. De Volkskrant heeft sinds kort een dagelijkse serie waarin journalisten beurtelings verslag doen van dicht bij een actueel onderwerp; Toine Heijmans en Margriet Oostveen voerden tot nu toe nog in al hun stukjes zichzelf op (‘Het personeel van Brink’s staakt al weken af en aan, en ik mag mee in de bus’). Een tijdlang probeerde Joris Luyendijk voor The Guardian en NRC de bankenwereld te doorgronden door zichzelf expliciet als leek neer te zetten. En ook bij verhalen die ik zelf bij mijn chef pitchte (2), is het weleens de reactie geweest: „Ja, leuk, met jezelf als onderwerp.”

Waar komt dit vandaan? Waarom doen we dit? (3)

Het is dinsdagochtend, nu ruim een week geleden, als ik die vraag via Skype stel aan Eve Fairbanks van The Washington Post. Ze schreef onlangs een kritisch opiniestuk over het snelgroeiende genre dat ze ‘Ik ben X en mij is Y overkomen’ noemt. Ik verwacht daarom een fel betoog tegen de trend, maar ze geeft onmiddellijk toe dat ze er zelf net zo ontvankelijk voor is: „Mijn relatie is net uit, en ik heb steeds de neiging erover te schrijven en dat aan te bieden bij The Washington Post.”

Ik vraag haar waarom, en ze zegt dat onze generatie – we zijn allebei 31 – zich waarschijnlijk heeft laten beïnvloeden door de blogcultuur. „Toen ik jong was, vond ik het fascinerend op sites als LiveJournal de persoonlijke onthullingen van andere tieners te lezen. Mijn moeder vond het ongelooflijk dat mensen dat zomaar met iedereen deelden, maar nu zijn we eraan gewend geraakt.”

Dat is niet de enige reden die ze noemt. Kranten willen opinie ‘democratiseren’, dus: laat niet de politicus die voor het homohuwelijk stemde aan het woord, maar een homostel dat net getrouwd is. Zoek geen terrorisme-expert, maar een moslim die radicaliseerde.

Eve Fairbanks vermoedt daarnaast dat het nieuwsorganisaties helpt bezuinigen. „Ik doe zelf regelmatig verslag vanuit bijvoorbeeld Congo en Nigeria. Dat is zo duur dat ze zich bij de krant afvragen: waarom zouden we die verslaggeefster nog sturen als we ook een Nigeriaan kunnen vinden die iets van acceptabele kwaliteit kan schrijven over zijn eigen leven?”

In het gesprek met Fairbanks haal ik een aantal malen een ‘very experienced Dutch journalist’ aan die ik een dag eerder gesproken heb. Dat is Henk Blanken, die voor Het Vrije Volk, de Volkskrant en Dagblad van het Noorden schreef. Vorig jaar verscheen het Handboek Verhalende Journalistiek, dat hij samen met Wim de Jong schreef. Ik las het vlak nadat het uitkwam (4) – vandaar dat zijn naam als eerste in me opkwam toen ik aan dit stuk begon.

Blanken blijkt een uitgesproken voorstander van de vorm – mits goed toegepast. De valkuil, zegt hij, is dat het alleen nog maar over de journalist gaat. „Terwijl je juist een algemeen geldend verschijnsel vanuit je eigen perspectief moet vertellen.” Ook hij noemt de opkomst van internet en oplagedalingen bij kranten als belangrijke reden voor al die ‘ikken’. „Kranten moeten lezers aan zich binden, en lezers houden van personen – dat weten ze in de politiek al langer. Het gaat om het mannetje of het vrouwtje. Kranten hebben dat nu door. Een ‘ik’-reportage, zoals van Toine Heijmans die vorig jaar in de Volkskrant bij SNS verhaal ging halen over zijn woekerpolis –dat was twintig jaar geleden nog uit den boze.”

Twee dagen later heb ik Heijmans zelf aan de telefoon. Of het echt zo anders was, twintig jaar geleden. „Ja, er was toen wel een ik-verbod”, zegt hij. „ In columns kon het wel, in reportages niet. Ik ging toen reisverhalen schrijven en moest steeds iets verzinnen om het woordje ‘ik’ te vermijden.”

Juist door de ik-vorm viel zijn verhaal over de woekerpolis zo op. Heijmans had vooral veel overleg „met zichzelf” voordat hij besloot dat dit de enige juiste vorm was. „Ik had al twee columns geschreven over die polis. Om die laatste was SNS boos geworden, dus ik zei: doe dan maar een interview. Het duurde een jaar, maar toen nodigden ze me toch uit. Ze vroegen me: zit je hier nu als klant of als journalist?” Beide dus.

Hetzelfde geldt voor de columns die hij sinds vorige week samen met Margriet Oostveen heeft. „Ik wil de lezer meenemen naar de plek waar ik ben. Het moet zijn alsof hij er zelf zit. Ook geef ik er een signaal mee af: let op lezer, hier spreekt een subjectieve verslaggever.”

Je ziet het meteen

Dat ik later in de week in een werkkamertje van het NRC-gebouw zit, met voor me de zaterdagkranten van 15 januari 2000 en die van 17 januari 2015, komt door het gesprek met Blanken. Er zat me namelijk nog iets dwars (5), zei ik tegen hem. Hoewel iedereen van een trend spreekt, ontbreken harde cijfers. En hij zei: „ Pak gewoon een krant van nu en een van vijftien jaar geleden. Je ziet het meteen.”

Hij had gelijk. Elke keer dat ik een ‘ik’ tegenkom, prik ik een geel stipje met een markeerstift. In de editie van vijftien jaar geleden gebeurt dat alleen in de columns (of, uiteraard, als geïnterviewden geciteerd worden).

In 2015 is de journalist niet langer de alwetende die zich achter de derde persoonsvorm verstopt. ‘Ik kan me best voorstellen dat u het even gemist hebt’, schrijft Tom-Jan Meeus in zijn rubriek over politiek Den Haag. Een interview begint met ‘Het kan regisseur Nicole van Kilsdonk niet zoveel schelen waar we gaan eten.’ Bovendien staan ruim vijftien NRC’ers, vooral de columnisten, met een foto in de krant, tegenover precies nul in 2000.

Meer harde cijfers vond ik overigens deze week alsnog: journalistiekstudent Jorg Leijten vergeleek in 2012, voor zijn scriptie, vijf Nederlandse dagbladen en zag bijna een verdubbeling van het aantal ik-stukken tussen 1995 en 2012.

Het komt door de blogs

Ik had er geen rekening meer mee gehouden – ze had een paar dagen niet gereageerd op mijn e-mail – maar afgelopen donderdag kon ik toch nog bellen met Martha Nichols, die sinds een paar maanden een cursus ‘first person journalism’ geeft aan de avondschool van Harvard. Het is vier uur bij mij, tien uur in de ochtend bij haar. Ook aan Nichols vraag ik allereerst waar de trend vandaan komt, en ze antwoordt ongeveer hetzelfde als Eve Fairbanks: het komt door de blogs. „Die hebben de achtergrondverhalen van kranten en magazines geïnfiltreerd. Mensen lezen vaker online en zijn veel meer geneigd om de ‘ik’ te accepteren, want het is informeel en interactief.”

Dat strookt met wat ik zelf bedacht had: dat we steeds meer journalistiek tot ons nemen via de smartphone, en omdat dat een sociaal apparaat is – waar een WhatsAppje, een mailtje en een nieuwsreportage elkaar gemakkelijk afwisselen – zijn we veel meer geneigd te accepteren dat de journalist persoonlijker en informeler wordt wanneer hij tegen ons ‘praat’ via dat scherm.

Maar, vraag ik aan Nichols, wordt journalistiek dan niet te subjectief? (6) Welnee, de journalist vergroot zo juist zijn betrouwbaarheid, zegt ze. „Er is natuurlijk een verschil tussen nieuws en achtergrond. Bij nieuws wil je gewoon de feiten. Bij achtergrondverhalen geeft dit de auteur meer instrumenten. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat mensen journalisten net zomin vertrouwen als politici of tweedehandsautoverkopers. Wat je daaraan kunt doen, is duidelijk zeggen wie je bent, hoe je er zelf tegenaan kijkt en hoe je aan je informatie bent gekomen. Je bent sowieso nooit helemaal objectief, dus laat de lezer dan maar weten waar je subjectiviteit vandaan komt.”