Gracieus van een berg afdonderen

Het is een onbekende extreme sport: speedriden. Oftewel met 100 kilometer per uur van de berg afskiën met een parachute op je rug. Nu is er een documentaire over: The Unridables: Alaska Range.

Als één van de pioniers van een sport wordt geïnterviewd op een begraafplaats, dan weet je wel hoe laat het is. In The Unridables: Alaska Range is het filmmaker Didier Lafond, die door zijn werk met extreme sporters de afgelopen dertig jaar gewend is geraakt aan het begraven van zijn vrienden.

Het moet de kijker een beetje voorbereiden op het risico dat we te zien krijgen in een vrij onbekende extreme sport: speedriden.

Speedriden is kort gezegd skiën of snowboarden met een open, kleine parachute. Die parachute heft alle barrières op: er is geen kloof, klif, afgrond of rots waar een speedrider níét overheen kan zweven. Het is de sport om zoveel mogelijk met de ski’s in de sneeuw te staan, maar het zweven over afgronden en onderweg een paar meter sneeuw meepikken waar geen mens ooit is geweest, is minstens zo spectaculair. Eigenlijk is speedriden op een gracieuze manier van een berg afrazen.

In The Unridables, een nieuwe documentaire over de sport gemaakt door drankjesfabrikant Red Bull, volgen we een groep mannen op een missie om de meest onbegaanbare bergen te temmen in Alaska. Ze lijken zelf ook nog versteld te zijn van de sport, voor de argeloze kijker.

In de openingsbeelden zien we de mannen eerst van een berg bij Chamonix afskiën/zweven. Van het topje helemaal tot in het groene dal, landend in een mooie grasweide.

Maar dan Alaska. We zien hun voorbereiding: oude beelden bekijken in Chamonix, oefenen op de Mont Blanc (slecht weer, gaat niet door) en het samenstellen van een reddingsteam voor het geval dat. Want speedriden is zeker niet ongevaarlijk. De nog jonge sport ontstond rond 2005 in de Franse Alpen. Inmiddels beoefenen tussen de 3.000 en 5.000 speedriders de sport. De andere kant van de medaille: sinds 2006 zouden er zo’n 25 mensen bij zijn omgekomen.

‘Gewone’ wintersport is al niet zonder risico, dit is extréme sport. Speedriders halen honderd kilometer per uur. Dat is zo, erkent François Bon, één van de uitvinders van de sport, in de film. Maar ze nemen geen risico’s om de risico’s, verzekert hij. „Natuurlijk, je rekt de grenzen op omdat je iets nieuws wilt doen, maar als je het goed doet en je acties goed voorbereidt, dan is het een berekend risico.”

De beelden in de documentaire zijn geweldig. Grote, witte velden poedersneeuw die zelfs voor de beste skiërs ter wereld onbereikbaar zijn. Vooral ‘The Rowel’, een ruige berg in Alaska waar geen skiër of snowboarder zich aan kan wagen door de vele kloven, gaten en rotsen, is een schoonheid.

Het speedriden begint er slecht: de parachute van Amerikaan Jon DeVore zakt in, en hij stort bijna neer tussen twee enorme gaten in de metersdikke laag sneeuw. Hij redt zich eruit, maar weet: geen geintjes hier. Filippo Fabbi, de Italiaan in het gezelschap, weet als eerste de hele berg te bedwingen. Hij neemt snelle bochten op grote sneeuwvelden, maakt enorme sprongen met z’n parachute en neemt in z’n vlucht over onmogelijke afgronden kleine bergpunten met sneeuw mee. Meesterlijk.

Uiteindelijk komen alle speedriders, Fabbi, DeVore en Andy Farrington, de berg af, het hoogtepunt van de film. Een witte wereld, onbegaanbaar, met huizenhoge blokken sneeuw en ijs, waartussen ze majestueus komen aanvliegen, onderweg af en toe skiënd.

De film biedt een inkijkje in een kleine, spectaculaire sport, maar geeft je ook een idee hoe het moet voelen om je als een vogel nergens door te laten tegenhouden. En het laat het vermogen van mensen zien om hun grenzen op te zoeken, en over te steken.