De wereld brandt, en jij zit er middenin

De ambassades zijn kleiner geworden, en de wereld woeliger. De ambassadeur: „Ik denk dat Nederlanders zich onveiliger voelen.”

Ambassadeurs stellen zich op voor het gebruikelijke groepsportret. Minister Lilianne Ploumen (Buitenlandse Handel, PvdA) schikt de stropdas van minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA).
Ambassadeurs stellen zich op voor het gebruikelijke groepsportret. Minister Lilianne Ploumen (Buitenlandse Handel, PvdA) schikt de stropdas van minister Bert Koenders (Buitenlandse Zaken, PvdA). Foto’s David van Dam

„Ah, het nieuwe werken”, merkt één van de ambassadeurs op als hij de vergaderruimte met verhoogde vergadertafel en barkrukachtige stoelen betreedt. Ook het ministerie van Buitenlandse Zaken moet eraan geloven. Flexplekken, grote open ruimtes, vergaderhoeken; de ambassadeurs hebben er allemaal van gehoord op hun post in het buitenland, ver van het departement in Den Haag, onder medewerkers bekend als „de apenrots”.

Een gesprek met vier ambassadeurs over veranderde diplomatie, over crisisdiplomatie. Alle vier werken ze in onrustige gebieden: Egypte, Mali, Irak en het door ebola getroffen Ghana. Ze hebben ook allemaal elders gezeten, kunnen dus vergelijken, patronen herkennen.

Sneller – dat begrip schiet ze allemaal als eerste te binnen als gevraagd wordt naar het vak zoals dat tegenwoordig wordt beoefend. „Ik heb het pas weer meegemaakt”, zegt de in Mali gestationeerde Maarten Brouwer. „Er waren omwentelingen in Burkina Faso en in Niger. Landen waar je niet vaak komt en waar de relaties oppervlakkig blijven. Maar via mijn contacten op Twitter en Facebook was ik toch snel op de hoogte en kreeg mijn inzicht meer diepgang. Bovendien kon ik door diezelfde media ook veel van de Nederlanders bereiken die in die landen verblijven.”

Jeannette Seppen, ambassadeur in Bagdad, valt haar collega bij. „We beschikken tegenwoordig over veel betere middelen. Tijdens de oorlog in Irak in 2003 zat ik in Ramallah [Westelijke Jordaanoever]. Ik herinner me nog de moeite die we als ambassade hadden om Nederlanders te bereiken. Nu heb je lijstjes en stuur je iedereen die zich geregistreerd heeft een sms of e-mail.” Brouwer: „Ja, maar ze moeten zich registreren, en dat is nog steeds wel een probleem.”

Gerard Steeghs, die als ambassadeur in Libië de val van Gadaffi meemaakte en nu in Caïro zit, heeft „het niveau van betrokkenheid” zien veranderen. „In 1990 werd ik in Bagdad nog als tweede secretaris door de ambassadeur gestuurd om allemaal dingen on the ground te doen, in 2011 deed ik dat als ambassadeur in Libië allemaal zelf. Tegenwoordig zijn de ambassades vaak kleiner en kom je als ambassadeur veel directer middenin de situatie te staan.”

Hans Docter, behalve ambassadeur in Ghana sinds vorig jaar ook de speciale ebola-ambassadeur van Nederland, heeft het gevoel als diplomaat „veel zichtbaarder” te zijn dan vroeger. „Dat komt ook doordat wij nu in de media kunnen communiceren, wat vroeger minder mocht.”

Dat leidt volgens Steeghs dan wel weer tot het klassieke effect van werken „in het oog van de storm”. In Libië maakte hij mee dat het voor de buitenwereld leek alsof heel het land in brand stond. „Maar”, zegt hij, „als je er zit, weet je dat er een aantal plekken is waar je beter weg kan blijven, maar dat een heel groot deel van het land toch bezig is met het dagelijks leven.”

Volgens Jeanette Seppen is het bij uitstek de taak van een diplomaat in crisisgebieden om „de lange termijn” in de gaten te houden. „Je moet niet in de paniek meegaan en zeggen: het is hier eng, dus wegwezen. Nee, dan moet je zeggen: we blijven en kijken verder.”

In Mali besloot ambassadeur Maarten Brouwer ondanks de onrust in het land de ambassade open te houden en het ontwikkelingshulpprogramma voort te zetten. „Dat heeft toen enorme indruk gemaakt. Wij gaven het goede voorbeeld, zei men. Daarna hebben we in 2013 voor het eerst in de geschiedenis een Nederlandse handelsmissie naar Mali georganiseerd. Daardoor heb ik veel contacten met het bedrijfsleven kunnen opbouwen. Dat is heel belangrijk, net als contacten met maatschappelijke organisaties. Dan praat je over het fundament van een samenleving, over continuïteit. Want ministers – die komen en die gaan.”

Een crisis is vaak maar tijdelijk. Volgens Gerard Steeghs moet een ambassadeur vooral oog hebben voor het vervolg. „Wat betekent dit voor het internationaal beleid, wat betekent dit voor de positie van Nederland? Kunnen we suggesties doen voor de langere termijn om rust te brengen? Dat gaat dus verder dan de eerste, misschien wat paniekerige reactie op een crisis.”

Merken ze dat de Nederlanders zijn veranderd? „Ja”, zegt ebola-ambassadeur Hans Docter. „Ik denk dat Nederlanders zich onveiliger voelen. Ze maken zich terecht zorgen over ontwikkelingen in Rusland, in het Midden-Oosten, over zo’n ebolacrisis. De woelige wereld is niet voor niets het thema van onze ambassadeursdagen. En het is aan ons diplomaten te laten zien dat we er alles aan doen om die veiligheid te herstellen.”