‘Dankzij de kerk kwam ik tot Bach’

Masaaki Suzuki ontvangt in Kampen een eredoctoraat voor zijn Bach-interpretaties. „In Nederland kwamen voor mij geloof en muziek samen.”

De Japanse dirigent Masaaki Suzuki: „Bach is de vader van de muziek en Händel de moeder.”
De Japanse dirigent Masaaki Suzuki: „Bach is de vader van de muziek en Händel de moeder.” Foto Hollandse Hoogte

Voor de Theologische Universiteit Kampen is het een historische week. Het kleine instituut leidt voornamelijk predikanten op voor de gereformeerde kerk. Maar vandaag staan de oude poorten open. Voor het eerst in zijn 160-jarig bestaan reikt de TU een eredoctoraat uit, en wel aan de Japanse organist, klavecinist en dirigent Masaaki Suzuki, voor „de expliciete verbinding die hij aanbrengt tussen Bachs muziek en de inhoud van het christelijk geloof”.

Je zou verwachten dat het voor Suzuki – wereldwijd een van de beste en meest geliefde Bach-interpreten – het zoveelste eredoctoraat is. Maar anders dan collega’s als Ton Koopman of John Eliot Gardiner is Suzuki „primair een ambachtsman”, zoals hij de dag voor zijn oratie met een hoffelijk knikje vaststelt in het Amsterdamse Okura Hotel. „Dat ik ooit een eredoctoraat zou krijgen had ik nooit kunnen denken. En in Nederland – dat maakt het voor mij extra bijzonder. Mijn zoon is hier geboren en woont hier, ik heb hier zelf gestudeerd. Wat me trok was de kwaliteit van het muziekleven, maar toen mijn vrouw en ik hier eenmaal woonden, ontdekten we dat Nederland ook de bakermat is van de gereformeerde kerk. Kerk, geloof en muziek kwamen hier samen.”

Suzuki behoort in Japan tot een kleine minderheid (1,5 procent is er christen, 70 procent boeddhist). Hij werd als kleuter gedoopt en begeleidde al jong kerkdiensten op het harmonium. „Ik was niet tot Bach gekomen zonder de kerk en de ontdekking van zijn orgelwerken”, zegt hij. „Voor mij zijn geloof en muziek onlosmakelijk met elkaar verbonden.” Ook op school zat hij onder portretten van Bach – „de vader van de muziek” – en Händel – „de moeder van de muziek”. Suzuki grinnikt. „Ik heb lang gedacht dat Händel een vrouw was.”

De anekdote zegt iets over het Japanse perspectief op barokmuziek, vindt Suzuki. „Bach was lang vooral een naam. Toen ik in 1990 begon met mijn Bach Collegium Japan, was ik de eerste die een serieuze poging deed zijn muziek goed uit te voeren. De amateurkoren waarop je voordien was aangewezen zongen Bach soms zelfs in Japanse vertaling. Afschuwelijk, de relatie tussen muziek en tekst werd er volkomen door afgebroken. Wij probeerden vooral door de manier waarop we de muziek uitvoerden te laten horen wat de teksten betekenden – dus door zo beeldend mogelijk te musiceren.”

Suzuki nam alle cantates van Bach op voor het Zweedse label BIS en is nu, voor concertseries in Kobe en Tokio, „gewoon weer lekker fijn begonnen”. Zijn achtergrond als organist en klavecinist helpen hem als dirigent, denkt hij, ook nu hij soms orkesten in werken van Beethoven en Mendelssohn voorgaat. „Als organist ben je gewend aan fuga’s, aan Bachs enorme gelaagdheid. Dan valt de complexiteit van een vroege symfonie van Beethoven eigenlijk best mee.”

Maar vooralsnog zijn het zijn opnames van Bach die Suzuki’s roem schragen: elegant, verzorgd en zeldzaam romig in de koorklank. „De belangstelling voor westerse muziek is ontzettend groot in Japan. Ons eerste doel was dus: imitatie. Maar na een tijd realiseerde ik me dat de minder individualistische aard van de Japanse cultuur het mij ook makkelijker maakte zo’n homogene koorklank te maken. Ons gevoel voor concentratie en rust komt daar nog bij.”

Suzuki grinnikt opnieuw. „Een luisteraar vergeleek onze Bachopnames eens met traditionele Japanse inkttekeningen. Fijngetekend en sereen. Kleurloos, kun je ook zeggen. Maar ik kies ervoor het als een compliment op te vatten.”