Burton terug naar roots met intieme film over outsider

Met Big Eyes keert Tim Burton terug naar zijn wortels, de vrij korte periode voordat blockbusters vol special effects – van Batman tot Alice in Wonderland – vrijwel al zijn tijd opslokten. De zonnige openingsbeelden van een klassieke buitenwijk in de jaren vijftig lijken zelfs sterk op de pastelkleurige buitenwijken die hij zo liefdevol vastlegde in Edward Scissorhands (1990). Net als die film is Big Eyes een portret van een buitenbeentje, de wat timide (echt bestaande) Margaret Keane. Tijdens de hoogtijdagen van het abstract expressionisme, begin jaren zestig, schilderde zij figuratieve portretten van melancholieke meisjes met opvallend grote ogen; ogen die qua vorm een beetje doen denken aan die van aliens in sf-films, een van Burtons favoriete genres.

Als Margaret (Amy Adams) haar toekomstige tweede man Walter (een jammerlijk schmierende Christoph Waltz) ontmoet, doet hij haar geloven dat ook hij een kunstenaar is. Ook weet hij Margaret te overtuigen de schilderijen simpelweg te signeren met Keane, zodat Walter kan claimen dat hij ze maakte. Een leugen die op een gegeven moment zo groot wordt dat er geen weg terug meer is. De Keanes worden een kunstfabriek: Margaret schildert aan de lopende band haar ‘big eyes-portretten’ die door de charmante Walter kundig aan de man worden gebracht. Als de vraag te groot wordt, besluit hij haar werk ook als posters en ansichtkaarten te verkopen; het idee dat een kunstwerk oneindig te reproduceren is, schijnt van hem te komen. De smaakpolitie gruwt ondertussen van de beelden: de kunstcriticus van The New York Times omschrijft het werk als kitsch en galeries hebben slechts oog voor de nieuwste hypes.

Zo gaat Big Eyes niet alleen over een vrouw die zich moet ontworstelen aan het juk van haar dominante man en genoeg zelfvertrouwen moet krijgen om het werk als het hare te claimen maar ook over Burton zelf, een kunstenaar die zijn eigen gang gaat, laverend tussen persoonlijke expressie en massakunst.