Bijna was ik echt de baas, daar in dat bedrijf

illustratie Martien ter Veen

‘Dag meneer, ik zou me heel graag inschrijven voor een cursus’, zei een mevrouw aan de telefoon. Ik was inmiddels baliemedewerker. Ik zat in een klein kantoor met een soort schuifraam. Mensen haalden bij mij sleutels voor de werkplaatsen en konden informatie inwinnen over cursussen. De vrouw die op de maandagen en dinsdagen de telefoon opnam, de deur opende en nieuwe cursisten inschreef, was op reis gegaan. Op een cruise, werd me verteld.

„Dat kan, mevrouw, voor welke cursus wilde u zich inschrijven?”

Het bleef stil aan de andere kant van de lijn.

„Ik weet dat nog niet zo goed”, zei ze toen.

„U wilt zich inschrijven maar u weet niet zo goed voor welke cursus”, herhaalde ik nadrukkelijk en alleen maar zodat een man met wild piekend haar, die voor het raam naar de buitenplaats een appel at, het goed kon horen. De man moest lachen, legde zijn appel op mijn bureau en nam de telefoon uit mijn hand.

„U wilt zich inschrijven voor een cursus, maar u weet niet welke, hoor ik dat goed?” zei hij en nam nog een hap van zijn appel, „weet u wat mevrouw? Mevrouw, heel even… Mevrouw, als wij niet weten wat u wilt gaan doen, kunnen wij u niet inschrijven. Wilt u zeefdrukken misschien? Is lassen iets voor u?”

Ik staarde naar het scherm van mijn computer en lachte achter mijn hand. Daarna deed ik alsof ik iets belangrijks opzocht.

„Oké, dag mevrouw, ja dag mevrouw”, zei de man en hield de telefoon in zijn permanent trillende handen, drukte hem uit en gaf hem weer aan mij.

„Zo, zo doen we dat”, zei hij en ging weer voor het raam staan, „je moet wel weten wat je wilt, anders kun je net zo goed niet met een wens rondlopen.”

Volgens de Marokkaanse man met de grote ogen had ik niets minder dan promotie gemaakt. „Jij gaat het nog eens helemaal maken hier in dit bedrijf”, zei hij lachend. „Als je eenmaal hier zit, dan ben je de chef. Nee echt, gap, als de baas weg is, ben jij de baas hier, snap je dat?”

Het was gek, maar ik voelde een soort lichte trots toen hij dit zei, terwijl hij de vloer van het kantoor dweilde. „Misschien moet je aanbieden hun belastingaangiften in te vullen, broer”, zei hij en sloeg van het lachen een paar keer hard tegen de muur.

Aan het einde van de week – net toen ik besefte dat ik al bijna tweehonderd uur in het gebouw had doorgebracht, bijna iedereen kende, praatjes maakte en uiteindelijk een plek aan de balie had verworven en zelfs, als de man met de baard even weg was, andere taakgestraften opdrachten mocht geven – kreeg ik te horen dat ik mijn laatste uren in de buitenlucht moest doorbrengen.

„Dat kan niet anders?” probeerde ik nog.

„Dat kan niet anders, maar ik wil je bedanken voor je enorme inzet”, zei de man met de baard, die mijn gewerkte uren had genoteerd.

„Propjes prikken?” vroeg ik.

De man met de baard knikte.