Waarom we wel een Mondriaan maar geen Mozart hebben

Redacteur Merlijn Kerkhof (28) laat iedere dinsdag zien wat de schoonheid van klassieke muziek is. Vandaag: waar is toch die Nederlandse muziek?

Beeld Anna Klevan

Iedereen kent Rembrandt. Iedereen kent Van Gogh, Vermeer en Mondriaan, en voor de ingewijden zijn er Willem de Kooning en Karel Appel. Nederlandse schilders én wereldberoemd. Als het om schilderkunst gaat, behoort Nederland tot de absolute top.

Hoe zit dat eigenlijk met ‘onze’ componisten? Met de Nederlandse klassieke muziek?

Ik had het graag anders gezien, maar nee, Nederland heeft geen Bach of Mozart voortgebracht. De man die hun status nog het dichtst benadert, is Jan Pieterszoon Sweelinck (1562-1621). Maar de tijd dat de Nederlandse bevolking dagelijks met hem geconfronteerd werd, is voorbij – zijn beeltenis stond op het briefje van 25 gulden. En in hoeverre is de vroegere organist van de Oude Kerk in Amsterdam bekend buiten de landsgrenzen? Sweelinck is een componist voor kenners.

Het spijt me om het te zeggen, maar als het om componisten gaat, doet Nederland er niet zo toe.

Eén van de verklaringen daarvoor is het calvinisme. In de dominante godsdienst in de Republiek was tijdens de diensten geen plaats voor weelderige muziek; daar klonken sobere psalmen. Juist de kerken behoorden tot de belangrijkste opdrachtgevers voor componisten, maar niet in Nederland dus. Ook de hoven waren belangrijke financiers voor het muziekleven. En daar was de Republiek niet rijkelijk mee bedeeld.

Nederland was (en is) een klein landje, dat alle invloeden van buiten als een spons absorbeerde. Ook op muzikaal gebied. De Nederlandse muziek wordt daarom weleens gebrek aan eigenheid verweten: ‘we’ keken teveel naar Frankrijk, of juist teveel naar Duitsland.

Nationale identiteit was hier nooit een thema, zei Louis Grijp in 2008 in een artikel in Vrij Nederland. Grijp is bijzonder hoogleraar in de Nederlandse liedcultuur aan de Universiteit Utrecht en onderzoeker aan het Meertens Instituut. „De historische noodzaak ontbrak, er was geen bedreiging”, zei hij. „En niemand ging op zoek naar onze volksmuziek. Het ontbreken van typisch Nederlandse muziek, dát is typisch Nederlands.”

Dat betekent niet dat er niet gepoogd is om tot een Nederlandse canon te komen. De recente benoeming van een ‘Componist des Vaderlands’ (Willem Jeths) maakt duidelijk dat er nog steeds wordt gehunkerd naar nationale muzikale trots.

Eens in de zoveel tijd is er weer een initiatief om een Nederlandse componist onder de aandacht te brengen. Dan wordt er weer een vergeten genie uit de kast getrokken, iemand die we op dat voetstuk zouden moeten plaatsen waar nu niemand staat. Hoewel vast goedbedoeld, krijg ik er een nare smaak van in mijn mond. We laten waar we naar luisteren toch niet bepalen door de afkomst van een componist? Kwaliteit zou doorslaggevend moeten zijn.

Laten we accepteren dat we geen Bach of Mozart hebben. En als er dan toch zo nodig iemand op die sokkel moet, hoeven we niet per se te zoeken in de achttiende of negentiende eeuw. Luister eens naar Jacob ter Veldhuis bijvoorbeeld (1951, artiestennaam: JacobTV), die samples verknipt en daar melodieën op baseert, die met soundtracks werkt en grooves en rockinvloeden toelaat (vette elektrische gitaren). Nee, absoluut geen Mozart – die hadden we toch al. Wel eigen, bijzonder en gaaf.