Opinie

Vechten in het geloof, ofwel de jihad aangaan met jezelf

Een maand of zo geleden hoorde ik het woord ‘verbondstuig’ voor het eerst. Het was in een gesprek met een paar beschaafde mensen die dachten dat christenen altijd vol van liefde zijn. ‘Welnee’, zei de enige actieve gereformeerde in het gezelschap opgewekt. ‘Het is verbondstuig.’

Je denkt dat je je eigen taal en cultuur na een aantal jaren wel zo’n beetje kent. Maar gisteren nog hoorde ik een winkeljuffrouw op waarschuwende toon zeggen: ‘Het is een eau de toilette, hoor, het is geen geurtje.’ En daarna had ik een flinke digitale zoektocht nodig naar geurconcentraties van reukwaters en parfums om erachter te komen wat zij kon hebben bedoeld.

Hetzelfde gold dus voor dat woord verbondstuig. Aanvankelijk dacht ik dat het een scheldwoord was. Christenen die deel uitmaken van het verbond dat centraal staat in het gereformeerd geloof, maar die daar niet sympathieker van zijn geworden. Mijn zoektocht nuanceerde dat beeld vervolgens weer. Het woord bleek wereldwijd precies drie keer online te zijn gebruikt – tweemaal door het Nederlands Dagblad en eenmaal op een forum van de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt – en drie keer met een andere lading.

Op het chatforum van de Gereformeerde Kerken had Jaap2 genoeg van al dat gezeur over verbondstuig. Ben ik samen met mijn broeders en zusters, dan hebben we het goed, schreef hij. Gemeenschap der heiligen: je leeft ervan op. Maar kerkdiensten zijn een ander verhaal. ‘Zo voorspelbaar. Platgetreden paadjes. Snelle exegeses. Veel boze vingertjes naar het verbondstuig. Daar knap ik nog eens op af.’

In het Nederlands Dagblad waren ze positiever gestemd, het woord werd er zelfs met zelfvertedering gebruikt. De kerkredactie schreef over een jongerenbijeenkomst waar ze een cabaretduo hadden opgetrommeld om het ‘gezapig zootje verbondstuig’ wakker te schudden. En in een aardige column keerde Hilbrand Rozema zich tegen de bedrijfsmatige visie van de VVD op het lager onderwijs. De basisschool, schreef hij, moet vooral de schade beperken die je later vanzelf wel oploopt. ‘Een min of meer veilige haven voor Verbondstuig.’

Nu wist ik nog niet wat het woord betekende.

Mijn aanvankelijke overtuiging - dat het verbond een en al heiligheid was en dat het tuig daar bruut tegen zondigde – leek niet te kloppen. En ze kreeg nog een extra knauw door een ingezonden brief van dominee Haak in NRC Handelsblad. Daaruit begreep ik namelijk dat bruutheid en agressie juist zitten ingebakken in het verbond tussen God en mensen.

Van dominee Haak lees ik wel vaker teksten, en ik lees ze graag, omdat hij bepaald niet stopt waar het denken pijn gaat doen. Ook ditmaal stelde hij niet teleur. Het evangelie, schreef hij krachtig, vertelt dat God zichzelf in Jezus liet terroriseren en afslachten. ‘In dat licht kunnen christenen zich er niet vanaf maken met de gedachte dat zij geen terroristen zijn. Zij hebben zich wel iets anders af te vragen: namelijk of zij werkelijk zonder geweld of dwang zijn. Dat is helaas niet zo.’

Mooi. Nu hadden we geweld op tafel liggen. En dat bleek zich te bevinden in het hart van onze cultuur. In het hart namelijk van het evangelie. Het verhaal over het verbond waarin wij onze eigen fouten goedmaken door iemand anders aan het kruis te nagelen. Wat? Nee, ik ben niet plotseling gereformeerd geworden, u kunt gerust zijn. Maar ook wie niet kerkelijk is, moet beseffen dat ons denken is gevormd door een traditie waarin de mens zijn schuld heeft afgewenteld op een ander. En omdat ik nu eenmaal iets beter thuis ben in het protestantisme dan in, noem maar wat, de islam, las ik nog even door over dat verbond.

In het oude artikel over cabaretduo en verbondstuig in het ND las ik dat het thema van de jongerenbijeenkomst indertijd ‘vechten’ was geweest. ‘Vechten in het geloof doe je met elkaar’, had de ene dominee gezegd. ‘Vechten doe je tegen jezelf’, had de andere dominee gezegd. Je moest van de kerk geen ‘bubbelbadkerk’ maken, waarin alles draait om je eigen welbevinden. Een ander mocht dan zo ruiterlijk zijn geweest op te draaien voor jouw fouten, toch moest je alsnog de strijd aan met jezelf.

Nauwelijks had ik dit gelezen, of ik hoorde de Turkse islamfilosoof Bekir Karliga op de televisie uitleggen dat de jihad een gevecht is met jezelf. Het begrip heeft ten onrechte een militaire betekenis gekregen, zei hij. In wezen is de jihad een zelfonderzoek. Zo waarde opeens de geest van de reformatie door de wereld. De protestant in mij besloot mee te doen en op deze miezerige winterdag niet in de clinch te gaan met de wereld, maar met mijzelf. Tot mijn spijt heb ik u daarom vandaag niets spannends te vertellen. Maar als ik volgende week opeens een beter mens ben geworden, merkt u het uiteraard als eerste.