Pieter Cobelens zal niet lang alleen staan

Voormalig chef van de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst Pieter Cobelens werpt zich op als de luidruchtigste voorstander van ruimere bevoegdheden voor de veiligheidsdiensten. Vooral naar het onbeperkt, zogeheten ‘ongericht’ verzamelen van data via de kabel (internet) ziet hij uit. Dat is de een van de omstreden kwesties waarover het kabinet binnenkort uitsluitsel moet geven in een voorstel om de wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten aan te passen. Cobelens heeft een handige metafoor voor zijn ruime oplossing: de stofzuigerzak. Je kiest niet eerst welke stof daarin gaat, redeneert hij. Pas als alles in de zak zit, ga je gericht zoeken: een ring, het armpje van een pop, een aanwijzing voor terroristische gevaren. Digitale informatie lijkt op die zak: je moet eerst alles verzamelen, en dan pas zoeken.

De aanslagen in Parijs gaven Cobelens de kans bij media te pleiten voor haast en voortvarendheid: veiligheid was belangrijker dan privacy, dat hadden we nu wel gezien.

Het gekke is: het lijkt wel of hij alleen staat. Zelfs de VVD, normaal de Volkspartij voor Veiligheid en Daadkracht, hamert de laatste weken op proportionele wetgeving tegen terreurdreiging, en het belang van privacy van velen versus de noodzaak enkelen tot elke prijs in de gaten te houden.

Wat is er aan de hand? Dát inlichtingendiensten straks ook kabels mogen aftappen die digitale informatie transporteren, ligt voor de hand – ze mochten immers ook ooit de telefoon gaan gebruiken. Maar de meest partijen in de Tweede en Eerste Kamer willen dat dit gericht gebeurt: weet wat je zoekt voor je er aan begint. Er is meer dat beroering wekt in de wetgeving voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zoals toezicht en controle (essentieel) en contacten met buitenlandse diensten (sexy door de suggestie dat ‘eigenlijk’ de Amerikaanse diensten de baas zijn). Maar het debat over het ongericht zoeken legt de ongemakkelijkste vragen bloot: dit gaat over de verhouding tussen staat en individu. Waarom zou de meest vooruitgeschoven informatiepost van de overheid eigenlijk mínder mogen dan Google of Facebook? Is het bedreigender gegevens prijs te geven aan de overheid dan aan bedrijven die geld verdienen aan het bestuderen en besturen van je gedrag? En trouwens, zíjn de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nog wel de voorhoede van de snuffelende overheid? Hun bevoegdheden liggen gevoelig, maar ook bij de overheid zijn intussen de diensten met de meeste data koning. Steeds meer gedrag wordt meetbaar en leesbaar, van gezondheidsdata tot reisgegevens met ov en de (zelfrijdende, slimme) auto. De Grote Koppeling van Alle Gegevens loert. Dáár ligt nu de frontlijn tussen staat en individu.

Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten die geen Big Data-profielletje kunnen opstellen van mensen, al was het maar als beginnetje voor het echte veldwerk, zijn straks hun naam niet meer waard. Dat is geen kwestie van harde politieke consensus, maar een stil verschuivende grens. Wie kijkt er nog van op dat je overal sporen nalaat die opgenomen worden in een massa gegevens waaruit een (slecht) profiel van je wordt gemaakt? Nu levert het nog overbodige vakantieaanbiedingen op voor plaatsen waar je net vandaan komt. Maar de overheid denkt verder – zij meet zich aan de bedrijven die grote mogelijkheden zien in de technologisch gestuurde mens. Politieke partijen zijn hier niet leidend: zij wachten op het moment dat technologische mogelijkheden en maatschappelijke acceptatie bij elkaar komen. Ze stellen niet de grote vragen, maar zoeken het juiste tempo: is er al draagvlak? Zo gaat het nu ook met de bevoegdheden voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Te veel weerstand? Even remmen dan. Maar hoe kleiner het stapje nu, des te sneller komt de volgende aanpassing. Heel lang zal Pieter Cobelens niet alleen staan.