Nee, ik mag niet in paniek raken

Yasmine Colijn (23) is verantwoordelijk voor een vluchtelingenkamp in Irak. Tijd om het nieuws te volgen heeft ze niet.

Yasmine Colijn geeft een hand aan een jongen die kwam aanrennen toen ze door het kamp liep. Het jongetje geeft Colijn altijd high fives als hij haar ziet. Foto’s Clément Rouquette
Yasmine Colijn geeft een hand aan een jongen die kwam aanrennen toen ze door het kamp liep. Het jongetje geeft Colijn altijd high fives als hij haar ziet. Foto’s Clément Rouquette

Ze krijgen caravans, de 300 gevluchte families in het kamp bij Erbil – gevlucht uit gebieden die nu in handen zijn van Islamitische Staat (IS). De caravans zijn minder koud dan de tenten in de winter en vooral ook minder brandbaar. Een maand geleden vatte een tent vlam met een kind van anderhalf jaar oud nog binnen. Waarschijnlijk had een bewoner de kerosinebrander aan laten staan. Het jongetje overleefde de brand niet. „Dat was verreweg het moeilijkste wat ik hier heb meegemaakt”, zegt Yasmine Colijn (23), manager van het vluchtelingenkamp Harshm, naast Erbil in Iraaks Koerdistan.

Het gebeurde ’s nachts. Colijn kreeg een bericht dat er brand was en dat twee mensen naar het ziekenhuis waren gebracht. Zelf kon ze niet meteen naar het kamp, vanwege veiligheidsredenen, maar ook omdat ze „op dat moment toch niets kon betekenen”. Colijn: „De bewoners van het kamp wilden een protest organiseren, persoonlijk tegen mij. Als iets goed gaat, is iedereen blij met mij. Maar als het slecht gaat, ben ik de persoon die de schuld krijgt.” Het protest was snel voorbij, en aan Colijn de volgende morgen de taak om het uit te leggen. Aan de overheid, de Verenigde Naties, de politie, en vooral aan de familie van het kind. Hoe dit had kunnen gebeuren, en hoe zij er in de toekomst voor zou zorgen dat zoiets niet meer voorkomt. Colijn: „We gaan nu langs de tenten, en geven uitleg. Hoe moet je kerosine gebruiken, hoe kan je vermijden dat er fik komt, en hoe moet je een brandblusser gebruiken.”

Voelde je je schuldig?

„Je voelt je verantwoordelijk als er een kind van anderhalf overlijdt, maar uiteindelijk weet je dat dit niemands schuld is. Dit gebeurt. Het liefst wil ik dan de hele dag in bed liggen. Een dood kind, dat wil niemand meemaken. Maar je kunt niet zeggen ‘ik wil hier niets mee te maken hebben. Ik ben er vandoor’. Je moet een manier vinden om door te blijven gaan met je werk. Dat doen we hier allemaal.”

Rond Erbil zijn verschillende kampen. Harshm is relatief klein; 272 families, bijna 1.400 mensen. Dit kamp, opgezet door de Franse ngo ‘ACTED’, is bedoeld voor idp’s (internally displaced persons), oftewel gevluchte mensen uit Irak zelf. Voornamelijk uit Mosul en Sinjar, gebieden die nu in handen zijn van IS.

Colijn, die culturele antropologie en internationale politiek studeerde, liep stage in Erbil. Sinds vorig jaar februari hield ze zich bezig met lopende projecten: het distribueren van voedselpakketten bijvoorbeeld. En het binnenhalen van feedback over die pakketten, het onderhouden van relaties met donoren, ervoor zorgen dat er geld binnenkwam. Maar toen begon de crisis met IS. De vraag was of ze wilde helpen met het opzetten van een kamp. Al snel volgde het verzoek of ze het kamp wilde leiden. Als eindverantwoordelijke, voor alle bewoners, en in alle contacten naar buiten toe.

Zo werd een meisje van 23 manager van een vluchtelingenkamp...

„Ja, dat ging wel snel. Een Iraakse man zei tegen mij: Yasmine, je bent meer man dan vrouw. Voor een Iraakse man van in de vijftig is het lastig te begrijpen dat een jonge vrouw deze functie heeft. Hij bedoelde het als een compliment; een man neemt hier beslissingen en dat respecteren ze.”

En hoe was het voor jou?

„Voor mij was het een logische stap. Mijn moeder werkte voor de Verenigde Naties, en ik verhuisde elke paar jaar met haar mee. Ik woonde vanaf mijn geboorte onder andere in Ethiopië, Bangladesh, Zwitserland en Bosnië. Het klinkt gek, maar voor mij lag het voor de hand om met zo’n baan te beginnen.”

Het kamp opende in september, zo snel als mogelijk was na het begin van de crisis. Anderhalve maand later was het vol. Nu staan er zeker vijftig families op de wachtlijst.

Als Colijn door het kamp loopt, hoort ze overal haar naam. Of ze een kopje thee komt drinken. Of ze fruit wil. Zelfs al hebben de bewoners niets, het hoort bij hun cultuur om haar iets aan te bieden, als een teken van dank en respect. Kinderen rennen op haar af en geven high fives. Of ze willen de drie woorden Engels die ze hebben geleerd aan haar laten horen. Maar ook zijn er huilende vrouwen die zich op de grond gooien voor haar voeten en op de grond slaan. Omdat ze niets hebben en nergens kunnen wonen. Colijn moest daar aan wennen. „Mensen uiten hun emoties erg publiekelijk, en ik moet zelf dan niet emotioneel breken.”

Raak je niet in paniek als je veertig kilometer verderop Amerikaanse bommen hoort vallen?

„Nee, je kunt bij dit werk niet in paniek raken. Soms zijn er momenten dat ik besef dat de oorlog dichtbij is.”

Hoe merk je dat?

„Toen een zieke collega naar het ziekenhuis ging, liepen daar ineens allemaal peshmerga (Koerdische soldaten) naar binnen met schotwonden. Of toen er een autobom ontplofte voor het gebouw in Erbil waar we een paar keer per week vergaderen. Natuurlijk, hoor ik ook de verhalen over vrouwen die zijn verkracht, vechtpartijen, mensen die overlijden. Maar als je er niets aan kunt doen, dan hebben zij er ook niets aan. Je moet een punt zoeken waar je iets aan kan veranderen, waar je iets kan bereiken.”

Dat is precies de reden waarom Colijn het dagelijkse nieuws over IS niet meer volgt. Ze kan er niets aan doen, het verandert haar dagelijkse werk niet. Dus zet ze zich ervoor in om te zorgen dat alle bewoners een minimumniveau van leefomstandigheden hebben. Veertig liter water per persoon per dag, een dak boven hun hoofd, kerosine om te koken en hun tent te verwarmen. Luisteren naar wat de bewoners nodig hebben, en ze daarbij helpen. Iedereen in het kamp probeert zo normaal mogelijk te leven. „Er worden constant kinderen geboren”, en daarna lachend: „Eigenlijk is het hier een babyfabriek.” Mensen zoeken werk, er worden winkeltjes opgezet. Sinds kort is er een shoarmawinkeltje in Harshm.

Wat mist er nog in het kamp?

„Het schooltje is nog in aanbouw, we hebben nu een plek waar activiteiten worden georganiseerd voor kinderen, maar geen echt onderwijs. En er is geen plek om te bidden. Of die er komt, is nog maar de vraag. We wilden een bidruimte opzetten, maar toen heb ik toch besloten dat niet te doen. Er wonen hier voornamelijk moslims, sunnieten en shi’ieten, en ik wil niet dat er permanente spanningen komen omdat beiden in dezelfde bidruimte worden geplaatst. Een bewoner was bijvoorbeeld boos op zijn buurman omdat hij geen respect toonde voor zijn familie. ‘Het zal wel weer een shi’iet zijn’, zei hij. Terwijl het natuurlijk ook zo kan zijn dat die buurman gewoon niet heel vriendelijk is.”

Heb je weleens tijd om te ontspannen?

„Op vrijdag en zaterdag is het weekend, maar het werk dan loslaten lukt nooit helemaal. In het begin vond ik dat lastig. Aan de overkant van de biertuin waar we een drankje deden, werd een verzamelplek ingericht voor vluchtelingen. Dat voelde wel cru, bier drinken terwijl wij die mensen konden zien. Maar je moet toch een manier vinden om mentaal gezond te blijven, en dat kan denk ik alleen door vrije tijd te maken. Aan het begin van de crisis sliep niemand meer. Ik kreeg om 04.00 uur ’s nachts mailtjes van collega’s met een budget, we hadden het gevoel dat alles direct moest gebeuren. Als je dat blijft doen, dan stort je in.”

Binnenkort loopt jouw contract hier af.

„Ik kan hier wel blijven denk ik, maar na een jaar in zo’n omgeving moet ik vakantie houden, misschien wel in therapie. Verwerken wat ik hier heb meegemaakt. In de toekomst zou ik ook naar Zuid-Soedan willen. Ik heb nu veel geleerd over kampmanagement. Ik zou graag verder willen leren in een andere, misschien nog wel moeilijkere, omgeving.”