Mark Ronson De man van Uptown Funk

Het was even stil rond muzikaal wonderkind Mark Ronson. Met zijn nieuwe album Uptown Special sleept hij je weer de dansvloer op.

Foto Sony Music

Mark Ronson schreef een melodie. Wonderlijk genoeg hoorde hij daar in zijn hoofd steeds de harmonica van Stevie Wonder bij. Ronson stuurde Wonder de muziek, vergezeld van een brief. Daarin stond uitgebreid beschreven hoe hij Wonder beschouwde als een van zijn grootste muziekhelden. En hoe Ronson hoopte dat de legendarische muzikant een bijdrage zou leveren aan zijn nieuwe album.

Maanden bleef het vervolgens stil.

Tot Ronson vlak voor de deadline van het album een opname in zijn dropbox vond. Hij was buiten zinnen. De gedachte alleen dat hij, de grote Wonder, daar de tijd voor had genomen. Ronson ging op de grond van de studio liggen, en draaide het af en aan.

Uptown Special, het pas verschenen album van Britse producer en muzikaal wonderkind Mark Ronson (39), wordt geopend met opgewekte harmonicaklanken van Wonder. Daarna volgt een warm en meevoerend psychedelisch rocknummer, ‘Summer Breaking’, gezongen door Kevin Parker, de zanger van de Australische band Tame Impala. Dan komt het uiterst dansbare ‘Feel Right’, vertolkt door hyperrapper Mystikal. En dan hebben we het nog niet eens over de throwback-jamkraker ‘Uptown Funk’, waarin het Amerikaanse zoetsappige popidool Bruno Mars zich onverwacht van zijn meest funky kant toont.

De flonkerende sound van Mark Ronson is het werk van vele mensen. Op handige wijze schept Ronson soepel melodische muziekcollages waaraan hij door de medewerking van grote namen grandeur geeft. De hippe retrosoul-producer met de kuif en de melancholieke hondenogen verstaat de kunst te organiseren en te produceren. Door zijn muzikale vaardigheden weet hij mensen, zangers, muzikanten én producers snel aan zich te binden.

De afgelopen jaren was het betrekkelijk rustig rond Mark Ronson. Na zijn redelijke, door hiphop-invloeden gedomineerde plaat Record Collection, waarmee hij op een minstens zo matig ontvangen tournee ging, kwam er vijf jaar lang geen eigen album. Wel drukte hij een stempel op het album van de Black Lips en ook het hitalbum van Bruno Mars, Unorthodox Jukebox. Privé was er zijn huwelijk met model en actrice Joséphine de La Baume.

Rod Stewart was zijn babysitter

De in Groot-Brittannië geboren Ronson verhuisde op zijn achtste naar New York. Zijn moeder hertrouwde daar. Zijn stiefvader werd gitarist Mick Jones van Foreigner, de populaire rockband uit de jaren zeventig. De ‘rockroyalty’ kwam over de vloer: Rod Stewart was babysitter, Paul McCartney en Michael Jackson bezochten de feestjes en Ronsons beste vriend werd Sean Lennon. Ronson raakte geïnteresseerd in hiphop en kreeg als 19-jarige zijn eerste ‘optreden’: als dj op een feest van rapper Puff Daddy. De rijke partykid werd een celebrity-dj in de New Yorkse hiphopscene.

Omdat de hiphop hem ging vervelen, smeedde hij bekende pop- en rocknummers om tot dansbare songs. Het bleek zijn kracht, en het werd zijn drive. Ronson werd de jonge briljante producer die Amy Winehouse op het album Back to Black haar nostalgische sound gaf. Hij viel op met zijn eigen coveralbum Versions, waarop nummers van onder meer Radiohead, Coldplay en Kaiser Chiefs in nieuwe orkestbewerkingen werden gestoken. In 2008 won hij als producer van het jaar een Grammy.

Opmerkelijk was de tijdloosheid in Ronsons muziek. Met analoge instrumenten als blazers en strijkers en stijlelementen uit de jaren vijftig en zestig, waaronder de bekende Motownsound, creëert hij vernuftig een hip soort nostalgie.

Ook Uptown Special is weer doordrenkt van retro-invloeden. Het zijn flarden feestelijke gedateerdheid, van onder meer Earth Wind & Fire en Michael Jackson. Ronson zegt het gevoel terug te willen halen van de New Yorkse clubnachten van toen. „Op een typische nacht, eind jaren negentig, begin 2000, kon je al die artiesten in één set voorbij horen komen”, licht Mark Ronson kort toe aan de telefoon vanuit Londen. „Het zijn albums die ik als blanke deejay in voornamelijk zwarte en latin clubs draaide. Ik mixte alles strak aan elkaar, en ik miste nooit een beat zodat iedereen blééf dansen.”

Niets anders dan geweldig

Met een van de aantrekkelijkste liedjes op het album, ‘Uptown Funk’, heeft hij met zanger Bruno Mars een gigantische hit te pakken: ruim 190 miljoen streams op YouTube en Spotify. Ronson sleutelde er zes maanden aan; een absurd lange tijd voor één nummer. De producer voelde zich erg onder druk staan. Deze single, dat het visitekaartje van dit nieuwe album zou worden, moest niets anders dan geweldig zijn. „Anders zou niemand verder wat om dat album geven.” Daarvan was hij overtuigd.

Zoals zijn hele album was ook dit nummer een collectieve productie: van het gezongen baslijntje ‘do-do-do’ door Bruno Mars, tot de vintage synthesizers door de gelauwerde popproducer Jeff Bhasker (onder anderen Kanye West en Jay Z).

Maar Ronson struikelde zelf in zijn zoektocht naar een origineel en funky gitaarriffje. Voor de groove werd een behoorlijke prijs betaald na lange studiodagen vol mislukte opnamens. Steeds vond hij wat hij inspeelde niet goed genoeg en op de laatste opnamedag begon hij hem te knijpen. De takes volgden elkaar ijlings op. Bij de lunch trok hij wit weg, viel flauw en gaf daarna over. Ja, beaamt Ronson, hij is een perfectionist, en dat kost tijd. Van de zoektocht naar een geschikte zangeres in het zuiden van Amerika, tot het over de wereld reizen voor de opnames met superster Bruno Mars, tot de drie dagen die hij besteedt aan de bewerking van de klanken die Stevie Wonder stuurde.

Voor zijn gevoel toont Ronson op dit album pas echt zijn muzikantschap. „Ik zag mezelf altijd eerst als dj, en dan pas als muzikant.” De aanpak is serieuzer. Het feit dat hij voor de teksten contact zocht met Pulitzerprijswinnaar Michael Chabon onderstreept dat. Het is een intrigerende samenwerking die goed uitpakt. Ronson wilde meer diepte – voorbij typische dansvloerteksten.

Al die coole bijdrages klinken vrij uitgedacht en berekenend, maar eigenlijk hangt het album van toevalligheden aan elkaar. „Als schrijver Michael Chabon niet zulke mooie teksten had geschreven, had Stevie Wonder zijn bijdrage niet geleverd. Als je aan de piano zit komen de akkoorden er gewoon uit, daar heb je niet veel controle op. Je maakt ze iets dansbaarder wellicht, maar het blijft verrassend wat er komt.”