De ik-journalistiek is een trend; hier de vijf beste voorbeelden

Je ziet het meer en meer: journalisten die zichzelf opvoeren in hun werk. Of het nu op televisie (Jojanneke, Thomas Erdbrink), radio (Serial) of in de krant (van Vice tot aan The New York Times) is. NRC zocht uit waar de trend vandaan komt – én selecteerde samen met kenners dé vijf ik-verhalen.

NRC-mediaredacteur Peter Zantingh.
NRC-mediaredacteur Peter Zantingh. Foto NRC

Je ziet het meer en meer: journalisten die zichzelf opvoeren in hun werk. Of het nu op televisie (Jojanneke, Thomas Erdbrink), radio (Serial) of in de krant (van Vice tot aan The New York Times) is. NRC zocht uit waar de trend vandaan komt - én selecteerde samen met kenners dé vijf ik-verhalen.

Want je ziet het direct als je een krant van nu en een van vijftien jaar geleden vergelijkt: dat de journalist prominenter aanwezig is. Sommigen zeggen zelfs: een merk geworden is. Wat zijn de stukken die daarvoor van grote invloed zijn geweest? NRC vroeg het vijf kenners en maakte dit lijstje.

1. Gay Talese - Frank Sinatra has a cold (1966, Esquire)

Dit verhaal werd genoemd door iedereen die ernaar gevraagd werd. Dat is niet vreemd: mede naar aanleiding van Talese kwam Tom Wolfe in 1972 met de term ‘New Journalism’, waarmee hij een stroming bedoelde van journalistiek die gebruikmaakte van literaire elementen. Een van die elementen was dat de journalist zichzelf toestond met een mening, ideeën of zelfs als personage een rol in zijn eigen verhaal op te eisen. Talese verwierp de term ‘New Journalism’: hij vond het “niet nieuw, en geen journalistiek”. Desondanks bleek hij van grote invloed te zijn op andere reportageschrijvers.

Het verhaal dan. Gay Talese moest in de winter van 1965 van zijn opdrachtgever bij Esquire een profiel maken van Frank Sinatra. De zanger, toen bijna vijftig en een beetje ziek, had echter helemaal geen zin in een interview. Talese deed daarom aan wat hij zelf “the art of hanging around” noemde: hij bleef constant bij zijn onderwerp in de buurt en sprak allerlei mensen in Sinatra’s omgeving. Het resultaat werd het alom geprezen Frank Sinatra has a cold.

“I had seen something of this Sicilian side of Sinatra last summer at Jilly’s saloon in New York, which was the only other time I’d gotten a close view of him prior to this night in this California club. Jilly’s, which is on West Fifty-second Street in Manhattan, is where Sinatra drinks whenever he is in New York, and there is a special chair reserved for him in the back room against the wall that nobody else may use.”

2. Joan Didion - In Bed (1979, bundel The White Album)

De Amerikaanse auteur van romans en literaire journalistiek Joan Didion was “minstens net zo belangrijk” voor het genre als Talese, zegt Martha Nichols, die een cursus ‘first person journalism’ geeft aan de avondschool van Harvard. Ze raadt aan iets te lezen uit Didions bundel The White Album, zoals het korte verhaal In Bed, over hoe ze probeert te leven met regelmatig opkomende, hevige migraine-aanvallen.

“My husband also has migraine, which is unfortunate for him but fortunate for me: perhaps nothing so tends to prolong an attack as the accusing eye of someone who has never had a headache. ‘Why not take a couple of aspirin, the unafflicted will say from the doorway’.”

3. Michel Maas - Te veel gezien (2005, de Volkskrant)

Toine Heijmans, schrijver en journalist van de Volkskrant (die vorig jaar zelf een bijzonder ik-verhaal schreef, over zijn woekerpolis), noemt een verhaal van collega Michel Maas, correspondent in Zuidoost-Azië. Maas was vlak na de tsunami van Tweede Kerstdag 2004 in Atjeh en beschreef in een groot stuk zijn eigen ervaringen in Te veel gezien. Dat maakte diepe indruk op Heijmans: “Hij schreef over hoe het was om al die lijken te zien. Dat was heel echt. Daar móest het. Het ging over hem, maar ook over de situatie daar.”

“’Tsu-na-mi.’ Meer dan eens hoor ik het mensen uitspellen, alsof het een woord is dat iedereen moet leren, of de naam van het nieuwste videospel uit Japan. Het is een machtig woord. Mensen in Atjeh krimpen in elkaar, of rennen in paniek naar buiten als je het roept. Daar ga ik heen, naar tsu-na-mi. Ik moet erheen.”

4. David Grann - Lost City of Z - (2005, The New Yorker)

Twee verhalen van The New Yorker haalden de conceptversie van dit lijstje: Philip Gourevitz die vijftien jaar na de Rwandese oorlog de hoofdrolspelers opzocht, en dit stuk van David Grann die in het Amazon-regenwoud op zoek ging naar een verloren gegane beschaving. Gourevitz haalde het net niet, Grann wel. Aangeraden door Eve Fairbanks van The Washington Post.

“Last February, I decided to see if I could retrace Fawcett’s route and unravel a mystery that had only deepened with each ill-fated attempt to solve it. It was not easy to find a guide willing to make the journey, and it was even harder to find someone who had ties to the indigenous communities in Brazil, which function almost as autonomous countries, with their own laws and governing councils.”

5. Brian Phillips - Out in the Great Alone (2013, Grantland)

In de winter van 2013 volgde Brian Phillips voor Grantland (onderdeel van sportnetwerk ESPN) de bijna onmenselijk zware sledehondenrace die ieder jaar dwars door Alaska trekt. Henk Blanken, die als journalist voor onder meer Het Vrije Volk en de Volkskrant werkte en vorig jaar samen met Wim de Jong het Handboek Verhalende Journalistiek uitbracht, noemt dit verhaal een van de beste voorbeelden van ik-journalistiek. En online nog eens bijzonder fraai vormgegeven ook.

“I was staring at a week and a half of bone-deep cold, probable-verging-on-inevitable blizzards, baneful travel conditions, and total isolation from the civilized (read: broadband-having) world. I hate snow, do not play winter sports, keep the thermostat at 65 on a good day, and haven’t logged out of Spotify since 2011. I’m not even a dog person.”

Waar komen al die ‘ikken’ in de journalistiek vandaan? En moeten we daar blij mee zijn? Daarover vandaag in NRC Handelsblad een groot stuk - uiteraard in de ik-vorm. Lees het hier (€).