Geen muilkorf voor ‘De Ruyter’

Een stuk of veertig, vijftig mensen verzamelden zich gisteravond bij het Scheepvaartmuseum in Amsterdam waar Michiel de Ruyter zijn galapremière beleefde, een film over de geboorte van de mythe-De Ruyter. Onder het motto ‘Michiel de Rover: niet mijn held’ gaven ze blijk van hun ongenoegen over de heldenstatus van de zeventiende-eeuwse admiraal in deze film. Tot zover is er niets aan de hand. Op hun Facebookpagina is De Ruyter afgebeeld met een balkje over zijn ogen, zoals je dat met criminelen doet. Ook dat mag. Uit de spandoeken en speech bleek gisteravond dat ze streven naar een revisie van de geschiedschrijving, met De Ruyter als „de beschermheer van de Nederlandse slavenhandel”. Dat kan, al is er weinig kans van slagen. De Ruyter profiteerde van de slavenhandel, net als álle zeventiende-eeuwse Nederlanders. Maar zijn directe aandeel was beperkt, zei historicus en De Ruyter-biograaf Prud’homme van Reine gisteren in deze krant.

Dat willen de actievoerders niet horen. De Ruyter? Slavenhandel. Punt uit. Over hem mogen geen films gemaakt worden. En voor wie dat toch doet, is de valse noot verplicht. Anders komen de actievoerders de orde verstoren.

Meer films werden dezer dagen met zulke dwingende aanmaningen geadresseerd. Zo is de Poolse film Ida, sinds hij voor een Oscar is genomineerd, met een petitie die 36.000 keer is ondertekend, gesommeerd om duidelijk te maken dat ook veel Polen Joden hebben gehólpen in de Tweede Wereldoorlog. En American Sniper, de film over de scherpschutter die in Irak uitzinnig veel slachtoffers maakte, dient expliciet duidelijk te maken dat hij over móórd gaat.

Een documentaire of geschiedkundig essay kun je op op historische gronden aanspreken. In een speelfilm kun je ze aanwijzen, meer niet. Net zo min als een roman, schilderij of muziekstuk is een speelfilm een geschiedenisles.

De cineast heeft maar één opdracht: de best mogelijke film maken. Vertelt hij een historisch verhaal dan zal hij zich de vrijheden veroorloven die hij nodig vindt. Vervolgens kan iedereen zijn film naar believen ophemelen of afkraken. Maar ’m in de revisie gooien kan niet, en dreigen vertoning onmogelijk te maken ook niet. In beide gevallen is het een stap te veel, namelijk de cruciale stap naar censuur.

Dat is voorlopig nog een informele censuur, gepleegd door mensen met de beste bedoelingen. In het geval-De Ruyter kaarten zij het verband aan tussen historisch en hedendaags racisme. Beste bedoelingen – die hebben alle censoren altijd. Ze zijn oprecht verontwaardigd en sturen in wanhoop aan op muilkorven. Waarmee elk gesprek onmogelijk wordt. En dat kan nooit de bedoeling zijn.