Benson was here

Schrijfster Pia de Jong verhuisde met haar gezin van Amsterdam naar Princeton, in de Verenigde Staten. Ze schrijft over wat haar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits
Illustratie Eliane Gerrits

Een buitenhuisje in de Provence. Dat is het laatste wat je verwacht, als je uit de lift stapt van dit appartementencomplex in de Upper East Side. Fotograaf Harry Benson woont hier, samen met zijn twee honden, drie katten, zes parkieten en zijn vrouw Gigi. De openslaande deuren leiden naar een balkon dat een tuin lijkt. Boven een rustiek bankje hangt een uitgebloeide rozelaar. Het is niet voor te stellen dat ik op de achttiende verdieping ben van een wolkenkrabber in een wereldstad.

Benson is de tachtig ruim gepasseerd, maar nooit gestopt met werken. Op de muur hangt de foto waar hij voor altijd mee geassocieerd zal worden en die hem in één keer sterrenstatus verschafte: de Beatles in kussengevecht op een Franse hotelkamer in 1964. Het beeld is een fantastische toevalstreffer van jongens die nog geschiedenis moesten gaan schrijven.

Benson is een man die altijd op het juiste moment op de juiste plaats was. Het verlies van Muhammad Ali, de speech van Martin Luther King, de moord op Robert Kennedy. Zowat elke beroemdheid, filmster en politicus heeft hij voor zijn lens gehad, plus hier en daar een moordenaar. Als een levensechte Forrest Gump stond hij altijd op de eerste rij.

Langs zijn foto’s lopen, is als door de geschiedenis wandelen. In de eetkamer hangt een jonge Bill Clinton met Hillary in zijn arm, liggend in het gras. Hij was toen nog een charismatische gouverneur in Little Rock, Arkansas. Opvallend is dat hij zijn ogen gesloten houdt, terwijl zij hem liefdevol aankijkt. Nixon bij zijn afscheidsspeech tref ik in de gang aan. Daarnaast Martin Luther in zijn kist. Schaakvirtuoos Bobby Fischer vangt hij op het moment dat hij de wereldtitel verovert op de Rus Boris Spassky in IJsland. Na de dood van zijn vriend John Lennon, maakte Benson een foto van diens moordenaar Mark David Chapman. Deze houdt als een pistool zijn hand tegen zijn eigen slaap.

Voor hem ligt zijn nieuwste salontafelboek van megaformaat. Palm Beach People. Het staat vol schreeuwerige kleurenfoto’s van superrijke mensen. De decadentie ten top gevoerd. Als ik het in wil kijken, trekt hij het uit mijn handen. „Hier ben ik niet zo trots op.”

Benson is een man van contrasten. Enerzijds de kneuterigheid van een poes op schoot, een hond aan zijn voeten, een kop thee binnen handbereik, anderzijds zijn aantrekkingskracht tot het zwarte, de gekte en de glamour. „Wie vond u nu het meest interessant van al die mensen die u ontmoet heeft?”, vraag ik. „Bobby Fischer”, zegt hij. „De grootste schaker aller tijden. Hij kon met niemand omgaan, behalve met mij. Een jaar lang trok ik dag en nacht met hem op, tot hij elk contact met de werkelijkheid verloor.”

„En natuurlijk Nixon”, gaat hij verder. „Wat een intrigerende man. Over hem is Amerika nog lang niet uitgepraat.”

Allebei complexe mensen met wie het niet goed afliep.

„Mag ik een foto maken van ons samen?”, vraag ik voor ik vertrek. „Jij?”, zegt hij, terwijl hij me bedenkelijk aankijkt. „Waarmee dan wel?”

Ik pak mijn mobieltje.

„Noem je dat een foto maken?”, zegt hij. Hij pakt zijn camera en leidt me naar het balkon. „Spring eens zo hoog als je kunt”, zegt hij. Ik ben een cameralens verwijderd van genieën en griezels, politici en filmsterren.

De volgende ochtend vind ik de foto in mijn mailbox. Ik lijk te zweven tussen de bergtoppen van Manhattan. Aan mijn voeten een kneuterig bankje uit de Provence met een slapende kat erop.