Iemand moet aan het roer van dit schip staan

Illustratie Martien ter Veen

Ik moest op de vrijdagavonden gaan bijdraaien in de keuken, zo zou ik wat extra uren kunnen werken. De man met de baard had gezien dat ik tijdens mijn werk in de kantine bij de cursisten en vrijwilligers in de smaak viel en daarom draaide ik nu bijna elke woensdag de hele dag; het was het absolute hoogtepunt van mijn week en de tijd glipte haast door mijn vingers als ik hamburgers en spiegeleieren stond te bakken.

Elke vrijdag werd er een diner gegeven waarvoor je je naam in moest vullen op een formulier dat aan het prikbord in de gang hing. Voor ongeveer tien euro kreeg je een driegangenmenu. Ik had elke week het menu voorbij zien komen en dat zag er aantrekkelijk uit. Ossobuco met puree van aardperen en groene asperges, las ik. Indiase en Thaise curry’s, Mexicaans en zelfs op een avond sushi en toe sesamijs.

„Kun jij Indonesisch koken?” vroeg een mevrouw in een bontjas.

Hoewel ik er niet echt uitzie als een typische Nederlander, was Indonesisch koken wel een beetje vergezocht vond ik, maar ik knikte geloofwaardig bij het idee nog eens acht uur op een waardige manier te verzamelen.

Ik zei dat visgerechten in de Indonesische keuken mijn specialiteit waren.

„Mooi, dan mag jij morgen de makreel maken”, zei de vrouw, „We gaan vierendertig gerechten maken, kan je ook helpen met de rest?” Ik zei dat het geen enkel probleem was.

Die avond las ik me in op internet. Ik had de vis ooit gemaakt, maar echt gelukt was hij toen niet. Ik las over bamboes, salamblad en bananenbladeren en probeerde zoveel mogelijk benamingen uit mijn hoofd te leren om niet compleet voor gek te staan.

Op de middag zelf trof ik de keuken van de kantine in rep en roer aan. Er stonden vier mensen in de veel te kleine keuken en overal lagen grote bergen gesneden groenten. Er stond een gigantische pan rendang op het vuur (ook een specialiteit van me) en de vrouw in de bontjas droeg nu een professioneel ogend schort en gaf me even zo professioneel klinkende bevelen: „Sorry dat ik zo snauw, David, maar iemand moet aan het roer van dit schip staan.”

Ik maakte van de gestoomde makreel een waar levenswerk, maar was uiteindelijk best verbaasd dat hij ook nog gegeten werd. De hele avond stond ik naast een donkere man, die de zoete aardappel, tofu en de verschillende sambals had gemaakt, uit te serveren voor een grote groep vrijwilligers, cursisten en andere mensen die verbonden waren aan de stichting.

„Hoe lang ben jij eigenlijk al vrijwilliger?” vroeg ik aan de donkere man die bij elk gerecht vertelde hoeveel liefde erin gestoken was.

„Vijf jaar of zo? Soms roepen ze me op, dan neem ik een vrije dag, ik vind het leuk werk. En jij dan? Jij bent hier nog niet zo lang toch?”

„Ik doe een taakstraf”, zei ik zachtjes.

De man glimlachte, roerde door de gadogado en zei: „Zo kwam ik hier ook jongen, jaren geleden was het. Ik ben nooit weggekomen.”