Zonder licht zie je meer

We verlichten alles in Nederland. Ook als dat niet nodig is – en dit is vaak het geval. Herbert Blankesteijn pleit voor het donker.

foto sake elzinga

Wat doet een Nederlander die ’s avonds thuis een donkere ruimte binnenstapt, of vanuit zijn verlichte huis de tuin ingaat? Wat een vraag: hij doet het licht aan. Niet dat iemand daarover nadenkt. Het is een automatisme, die hand naar de knop. Sterker, buitenverlichting wordt vaak geïnstalleerd met een bewegingsdetector, zodat de lamp vanzelf aangaat. Of de lamp brandt zelfs continu.

Toch spreekt het niet vanzelf, al dat licht. Kun je in het donker echt de kliko of de berging niet vinden? Weet je zonder licht niet de weg op de wc?

In 2014 ben ik verhuisd, naar de Achterhoek. Weg uit een buitenwijk van een grote stad, waar je midden in de nacht op straat een boek kunt lezen, naar een woning in het buitengebied van een plattelandsdorp. Donker was opeens echt donker. En wat bleek? Dat was mooi! ’s Nachts in de slaapkamer geen verschil zien tussen ogen open en ogen dicht, het blijft bijzonder. De verbluffende pracht van maneschijn over besneeuwde weilanden, niet verstoord door kunstlicht. En we zagen opeens weer sterren, al waren het er niet zoveel als in Zuid-Frankrijk.

Ook zonder licht te vinden

De wc blijkt zonder een spoortje licht heel goed te vinden. De vuilnisbak en de schuur staan elke avond toch weer op hun vaste plaats, waar je ook geblinddoekt zo naartoe zou lopen. De enige reden dat je ze niet altijd direct ziet staan, is trouwens dat je ogen gewend zijn aan de verlichting binnen.

Is er dan iets tegen licht in het nachtelijk duister?

Jazeker, al zal de een de bezwaren anders wegen dan de ander. Sterrenkundigen klagen al jaren over lichtvervuiling: strooilicht van de beschaving wordt weerkaatst door stofdeeltjes in de atmosfeer. Zo gloeit als het ware de hele hemel op en worden de zwakste sterren overstraald.

Op de meest door licht vervuilde plekken in Nederland is nog maar een tiental sterren te zien in plaats van de duizenden die van nature met het blote oog zichtbaar zijn. Astronomen pleiten daarom voor minder licht en voor lichtbronnen die aan de bovenkant zijn afgeschermd. Zo gaat minder licht verloren, wordt energie bespaard en wordt de sterrenhemel ontzien. (De sterrenwachten in Nederland zullen daarmee trouwens hun wetenschappelijke functie niet terugkrijgen. Daarvoor is de lichtvervuiling te ver voortgeschreden.)

Waardevol natuurverschijnsel

Ook om andere redenen kun je minder kunstlicht willen: sommige mensen vinden het nachtelijk duister een waardevol natuurverschijnsel dat behouden moet blijven. De website van het Platform Lichthinder somt daarvoor argumenten op, bijvoorbeeld op het gebied van gezondheid, verkeersveiligheid en natuur. Het is plausibel dat de mens niet ongestraft kan rommelen met zijn eigen dag-nachtritme maar er is niet zoveel onderzoek dat dit hardmaakt. Een rapport van de Gezondheidsraad uit 2000 schermt vooral met begrippen als ‘beleving’, ‘ervaring’ en ‘hinder’ en signaleert geen concrete gezondheidsproblemen. Ook op het gebied van natuur zijn harde conclusies zeldzaam. ‘De resultaten tonen aan dat wegverlichting sommige soorten aantrekt en andere indifferent laat’, was de weinig alarmerende conclusie van het Research Instituut voor de Groene Ruimte in 2003.

Maar er zijn ook heel praktische redenen om kunstlicht te minimaliseren. Wat weinig mensen weten, is hoe veel je kunt zien in het donker en hoe veel last je daarbij kunt hebben van kunstlicht.

Wij wandelen vaak ’s avonds laat op landweggetjes zonder straatlantaarns. Het kan zo donker niet zijn of je ziet het complete landschap: de weg zelf, de bomen langs de weg, bosjes verderop, vee in de wei (en je ziet echt wel of het paarden, koeien of schapen zijn), boerderijen, de horizon met hier en daar een dorp. Toegegeven, het verfoeide strooilicht helpt daarbij een handje, en alle bebouwing verraadt zich natuurlijk door verlichting.

Maar die pret wordt volledig bedorven zodra we een of andere lamp naderen - of een lamp ons. Op de meeste kruispunten staat een straatlantaarn, sommige huizen hebben felle buitenverlichting en er zijn natuurlijk auto’s met hun koplampen. Onmiddellijk zien wij niets anders meer dan zo’n lamp en datgene wat de lamp direct beschijnt.

De boomstammen langs de weg worden bijvoorbeeld verlicht, maar het weiland achter de bomen kun je dan niet meer onderscheiden. Je ogen worden naar de lichtbron getrokken en raken daardoor nog meer verblind. Ik wist niet dat licht zo slecht kon zijn voor je gezichtsvermogen.

Licht is niet per se veiliger

Buitenlamp aan voor de veiligheid? Nee, ook rondom ons huis laat ik de verlichting - die we wel degelijk hebben - om die reden liever uit. Onze schijnwerper verlicht de oprit, en daardoor kan ik in een groot gebied daaromheen niets meer zien. Daar kan allerlei geboefte zich opeens schuilhouden. Een zaklamp mee in het donker? Die verraadt vooral waar ik ben - erg handig voor de onverlaten. Als ik wil weten of er slecht volk op de been is, kan ik beter stilstaan in het donker en luisteren. Zou ik ongenode gasten signaleren dan ben ik altijd in het voordeel. Want ik weet blindelings de weg, en zij niet.