Slammend de spotlights in

De serieuze literaire kritiek mag er dan op neerkijken, inmiddels is het de kortste weg voor een dichter naar een debuutbundel: het NK Poetry Slam. Drie slammers over de weg van podium naar papier – of niet.

Succesvolle slammers: Jee Kast, Daniël Vis en Ellen Deckwitz.
Succesvolle slammers: Jee Kast, Daniël Vis en Ellen Deckwitz. FOTO’s Julius Schrank/Kollektiv25, Hollandse Hoogte

‘Ik ben dichter, geen slamdichter”, zegt Daniël Vis verontwaardigd. De winnaar van het NK Poetry Slam 2014 heeft veel te danken aan zijn slamoptredens, maar de aanduiding ‘slamdichter’ wordt volgens hem vaak neerbuigend gebruikt. „Door de serieuze literaire kritiek wordt er een beetje op slam neergekeken. Alsof je door op een podium te staan slappe poëzie schrijft.” Slam wordt vaak geassocieerd met beginners en lijkt veelal te fungeren als een opstapje naar de wereld van de serieuze poëzie, de uitgevers en de betaalde optredens.

Volgende week vrijdag vindt de 13de editie van het NK Poetry Slam plaats in Utrecht. Een nieuwe generatie slamdichters zal daar niet alleen strijden om de titel Slampion 2015, de deelnemers hopen ook vurig op een contract bij een literaire uitgever.

Het kampioenschap lijkt inmiddels de kortste weg naar een dichtbundel te zijn. Zo ging het met de meeste winnaars van het NK Poetry Slam, zoals: Erik Jan Harmens (2002, Nijgh & Van Ditmar), Krijn Peter Hesselink (2005, Nieuw Amsterdam), Ellen Deckwitz (2009, Nijgh & Van Ditmar), Kira Wuck (2011, Podium), Laura van der Haar (2012, Podium) en eerder genoemde Daniël Vis (2014, Prometheus).

Tot een jaar of tien geleden bewandelden debuterende dichters meestal de weg der geleidelijkheid: een aantal keer publiceren in een literair tijdschrift, in de hoop dat een redacteur van een uitgeverij de gedichten opmerkte en de dichter zou uitnodigen om een bundel te maken. Nu veel literaire tijdschriften op hun retour zijn, zoeken uitgevers ook elders naar jong talent. Een dichter die regelmatig en succesvol optreedt, heeft al een publiek en dat is aantrekkelijk voor een uitgever.

Gespot tijdens optredens

Vis publiceerde de afgelopen jaren in een paar literaire tijdschriften, waaronder Het Liegend Konijn, maar hij was vooral actief in het slamcircuit. Zijn redacteur bij Prometheus was hem via zijn optredens op het spoor gekomen en vroeg hem gedichten op te sturen. Twee maanden nadat hij het NK had gewonnen, verscheen zijn debuut Crowdsurfen op laag water. Vis dicht al sinds zijn puberteit. Toen hij filosofie ging studeren in Utrecht, begon hij deel te nemen aan de maandelijkse U-Slam-dichtavonden. „Ik werd door de jury natuurlijk helemaal neergesabeld, maar dat is precies waar ik op hoopte. Ik heb altijd geschreven met de intentie dat de gedichten ook op papier iets moeten zijn en ik wilde, zoals de meeste deelnemers, uitgegeven worden bij een literaire uitgever. Dan heb je er niets aan als je vrienden tegen je zeggen: ‘Leuk, Daniël’. Zonder blikken of blozen gebruikte ik romantische clichés als ‘een lelieblanke huid’. Dat dat tegenwoordig heel pathetisch klinkt, had ik nog niet door. Ik was verliefd op de inspiratie en hield nog heel erg vast aan eerste versies. Ik was nog niet gewend om te werken aan mijn gedichten. Mijn poëzie van toen lijkt totaal niet op mijn poëzie van nu, maar wat overeind is gebleven, is een heldere manier van schrijven. Ik gebruik concrete beelden.”

Een voorbeeld is ‘De bloemkool in de bonus’:

tussen ons in wordt de bloemkool

langzaam koud.

we kijken ernaar.

[...] in de metalen kromming van de pan

lijken onze gezichten vervormd.

de geur van bloemkool

wordt als ongezellig ervaren.

Het gedicht is inmiddels een ‘hit’ op het podium. „De beeldtaal is ruimtelijk, het is grappig, wrang en redelijk kort. Daarom werkt het op een podium”, weet Vis inmiddels.

Trillend op het podium

Een van de meest aansprekende voorbeelden van een dichter die via het podium doorbrak in de ‘papieren’ poëzie is Ellen Deckwitz, die drie jaar na haar slamkampioenschap de C.Buddingh’ Prijs 2012 voor het beste poëziedebuut won. „Het vergt veel moed om met je eigen tekst op het podium te gaan staan”, zegt Deckwitz die tegenwoordig het NK presenteert.

Tijdens haar eerste optredens stond ze nog – ze doet het even voor – trillend verstopt achter een A4’tje op het podium. „Simon Vinkenoog zei na een optreden bij Festina Lente tegen mij: ‘Waarom doe je het niet uit je hoofd?’ Het slammen heeft mijn gedichten ritmischer en vloeiender gemaakt. Ik denk dat het de muzikaliteit, in hoeverre je daarvan kunt spreken, heeft bevorderd.” Deckwitz varieert in haar voordracht tussen podiumteksten (‘Soms moeten alle mannen gewoon echt even weg’) en wat meer gelaagde poëzie vol enjambementen - zinnen die over meerdere versregels doorlopen - zoals in De Blanke gave, haar derde bundel die vorige week verscheen:

Vermoeden is altijd beter

dan verwekken. En jong zijn betekent meer

kansen te verknallen. Niet zien

dat je een bleke pit bleef

toen de bolster openbarstte, wegwandelde.

De gedichten uit haar bundels draagt ze ook voor, maar ze voorziet ze regelmatig van een inleiding. „Mijn gedichten zijn toegankelijk, maar niet makkelijk. Hoe je het ook wendt of keert: poëzie blijft een contactsport, dat is evident aan de wens je talig uit te drukken.”

Het Nederlandse slamcircuit is in vergelijking met de internationale slamscene meer literair gedreven. In de Angelsaksische landen en in Duitsland is slam een apart genre, dat meer lijkt op wat we hier spoken word zouden noemen. Voor veel Nederlandse slammers is het podium meer middel dan doel. Dat zie je terug in de organisatie van slamwedstrijden, zegt Deckwitz: „De jury is vaak afkomstig uit de ‘papieren wereld’, dus je wordt beoordeeld op criteria voor poëzie op papier. Onterecht, want het is juist het podium dat poëzie tegenwoordig weer bestaansrecht geeft.”

„Het is opvallend hoezeer er in Nederland een stigma kleeft aan slam”, zegt de Vlaming Joost Stockx, alias slamdichter Jee Kast. Zelf is hij een trotse slammer. Daarin heeft hij zich vaak eenzaam gevoeld. Zijn voorgangers zoals Tom Lanoye, Didi de Paris en Eva Cox behoren tot de vorige generatie. Andere Vlaamse dichters van zijn eigen generatie voor wie performen ook een noodzaak is, kan hij op de vingers van een hand tellen: Stijn Vrancken, David Troch...

Slam als genre op zich

Jee Kast werd in heel Vlaanderen bekend als ‘de rapdichter’ door deel te nemen aan het televisieprogramma Belgium’s got talent. „Door op te treden is mijn bereik groter dan dat van dichters die zich te veel aan het papier vastklampen. Slam is een genre op zich, je probeert het publiek te begeesteren en daarbij kies je bewust voor een ander medium. Dat heeft als direct gevolg dat je een andere taal spreekt. Ik schrijf mijn gedichten speciaal voor het podium, maar er zijn veel dichters die aan een bundel werken en het resultaat daarvan voordragen, waar ze vervolgens vaak niet weten waar ze mee bezig zijn. Mijn voorbeelden zijn eerder cabaretiers, zoals Toon Hermans. In een performance draait het om timing en het moet lijken alsof wat ik zeg spontaan is en niet van tevoren bedacht en uitgeschreven. Het enige verschil is: ik beweeg mij niet op grappen, maar op gedichten. Het podium is voor mij een noodzaak, je kunt ook meer variëren van taalhumor tot serieuze teksten..”

Hij heeft nooit publicaties nagestreefd. Liever geeft Jee Kast cd’s uit, dat past beter bij zijn poëzie. Zijn gedichten zijn te beluisteren met daaronder muziek, een strakke beat begeleidt zijn ritmische teksten, zoals:

Dit is geen taal van grote denkers

dit is een wereld van verschil

dit is sterven voor de zon komt, het bitter en de pil.

– even slikken –

„Als mensen mijn gedichten willen teruglezen, moeten ze de cd maar herbeluisteren”, vindt Kast.

„Er is veel wannabe papieren poëzie op podia te horen”, zegt Deckwitz. „De strofes zijn willekeurige eenheden, het enjambement is gebrekkig, de gedichten zitten vol met woorden als ‘en’ en ‘maar’. Op papier is het niets, maar op een podium kan het wel werken. Dat is de tragiek, maar ook direct het unieke: Slam is het geschenk van het moment.”