Ik ben de eeuwige buitenstaander

Als een van de weinige westerse journalisten werkt hij in Iran. Thomas Erdbrink (38) over zijn serie Onze man in Teheran en de vrijheid om nergens bij te horen.

illustratie enkeling
illustratie enkeling

Wat komt u hier doen?

„Die vraag wordt me zo vaak gesteld. Op de luchthaven in Teheran, als je om 3 uur ’s nachts op Imam Khomeini Airport aankomt, maar ook als ik voor werkbezoek naar New York ga. Dan zeggen ze: ‘dus u bent Nederlander, journalist in Iran en u zegt dat u voor The New York Times werkt? Gelooft u het zelf?’ Verdacht dus.”

Wat gebeurt er dan?

„Dan moet je naar een aparte ruimte – met de neutrale naam ‘secondary’ waar alle andere verdachte elementen zitten: Jemenieten, Saudi’s, Irakezen. Na 3 uur wachten word je dan voorgeleid aan een agent van homeland security. Die vraagt dan wat ik in Iran doe. Of ik naar trainingskampen ben geweest? Dan gaan ze me googlen en vervolgens is alles goed.”

In Iran?

„In Iran ben ik de eeuwige buitenstaander, mensen bieden me na 12 jaar daar wonen nog steeds hun stoel aan, omdat ik ‘gast’ ben.”

En in Nederland?

„Daar laat de douane me altijd gewoon door. Maar als je dan door de stad loopt en een bekende tegenkomt, dan vragen ze: ‘wat kom je hier doen?’ Na een tijdje in het buitenland hoor je nergens echt meer bij. Vraag het maar eens aan een buitenlander die in Nederland woont, die hebben precies hetzelfde gevoel, je moet je overal verklaren.”

Ga je nu klagen? Je serie ‘Onze man in Teheran’ wordt omgeschreven als een ‘docu-soap over het rumoerige leven van Thomas Erdbrink in Iran.’ Dit wilde je toch zelf?

„Ik klaag niet, als tiener was ik altijd gefascineerd door mensen zonder ‘roots’. Dat leek me vreselijk eng om nergens echt bij te horen. Maar nu, grijs en bijna veertig, zie ik dat het ook wat verlossends heeft.”

Verlossends?

„Natuurlijk heb ik mijn roots nog, maar als je in verschillende culturen moet opereren, in mijn geval de Iraanse, Amerikaanse en Nederlandse, dan kan je niet de wereld vanuit een standpunt blijven zien. Dan word je gedwongen je in te leven in hoe anderen denken. Wanneer ik mensen zie die geheel overtuigd zijn van hun eigen gelijk, dan vind ik dat sneu. Niemand heeft helemaal gelijk, vind ik. Ik ook niet.”

Wat weet jij eigenlijk van televisie maken?

„Niks. Regisseur Roel van Broekhoven landde in Teheran en cameraman Jacko van ‘t Hoff zette zijn grote camera aan. Geluidsman Rik Meier liep met zo’n lange geluidshengel over straat. In Iran word ik altijd in de gaten gehouden, als buitenlander en journalist, maar nu was ik echt met een circus op stap. De eerste dagen wist ik niet hoe snel ik van die VPRO’ers af moest komen. Toen heeft Roel me op een avond gebeld en gezegd, Thomas, als je nu niet meewerkt wordt het niks. Mijn collega Jason Rezaian van The Washington Post was net gearresteerd en ik maakte me behoorlijk zorgen. Toen Roel dat zei voelde ik me alsof ik weer op de middelbare school zat. Ik heb docenten gehad me die ten einde raad waarschuwden mijn best te doen. Ik luisterde niet, ben twee keer blijven zitten en uiteindelijk van school gestuurd. Dus toen ik Roel dat hoorde zeggen heb ik me herpakt en ben hard mee gaan doen. Ik ben trots op de serie, in de 12 jaar dat ik in Iran zit is er nog nooit zoiets uit Iran gekomen.”

In 2003 schreef je een artikel over je huwelijk in NRC Handelsblad, compleet met grote foto. Nu deze serie die naar jezelf is vernoemd. Wil je zo graag in de aandacht staan?

„Nee hoor. Ik wil uitleggen hoe Iran is, als dat kan aan de hand van een verhaal over mijn huwelijksfeest of over mijn kat die kwijt is en de hele flat helpt zoeken, dan doe ik dat. Journalistiek is verhalen vertellen, niet dogma’s volgen. Tegenwoordig kan iedereen kiezen uit een gigantisch nieuwsmenu, als ik mensen een verhaal in kan trekken met een persoonlijke aanpak, dan zie ik niet in waarom dat niet zou kunnen.”

En kan dat dan zomaar in Iran?

„Zoals we ook in de serie zeggen: Iran is een land waar niets mag, maar alles kan. Andere mensen zeggen ook wel, je bent vrij in Iran tot je niet meer vrij bent. Het is een land waar de regels van boven worden opgelegd, maar waar in het dagelijks leven toch meer kan. Aflevering 2 gaat daarover. Hoe is het om in een land te leven waar je niet kan zeggen wat je wil?”

Dat lijkt me vreselijk.

„De realiteit is dat in de meeste landen ter wereld niet altijd kan zeggen wat je denkt, dat dwingt je ertoe om manieren te vinden om dingen toch te zeggen. In Iran gaat dat op internet, anoniem, of in de kunstwereld, een plek waar mensen zich verhullen in tekst of beeld en tussen de regels door laten weten wat ze van dingen vinden. Teheran heeft een veel dynamischer kunstscene dan Nederland, omdat er nog taboes bestaan.”

Het is spannend om je tegen iets te kunnen verzetten?

„Waarom komen er in Nederland nog steeds films en boeken over de Tweede Wereldoorlog uit? Ik denk omdat dat een tijd was waarin een individu een verschil kon maken, voor keuzes werd gesteld. Mensen vinden hun inspiratie in tegenslag, niet door in iedere ochtend in de trein naar een kantorenpark te stappen. Tenminste, ik niet. In Iran moet je dagelijks keuzes maken, omdat iedereen en ik dus ook zich moet aanpassen aan soms verstikkende leefregels.”

Hoe doe je dat dan, aanpassen?

„Je kijkt altijd wat wel en niet kan, op welk moment. Je eerste doel is overleven zonder problemen, daarna ga je kijken hoe je je eigen leven zo kunt inrichten als je het zelf wil, zonder problemen te krijgen. Je geeft een feestje – wat niet mag – dan moet je denken of de plek waar je het geeft veilig is. Je wil een film uitbrengen, ik ken veel regisseurs , dan maak je die film zo dat die wel tegen de grens duwt maar toch mag worden vertoond. Ik probeer dat proces te beschrijven en te laten zien.”

Krijg je vaak bezoek?

„Ja een van mijn trouwste bezoeksters is Lenie ’t Hart, die in Iran een zeehondencentrum is begonnen. Een geweldige vrouw. Maar Wessel van Diepen, Arie Haan, Marietje Schaake en Lex Harding zijn ook geweest, evenals tientallen anderen. Nederlanders durven overal heen, zelfs naar Iran, waar niks mag en alles kan. Meestal geef ik ze dan direct een glas wodka. Dan hebben we dat ook gehad.”