De supersub: leven voor de gelijkmaker

Na zijn drie doelpunten uit 21 balcontacten hoopte Excelsior wederom op een gelijkmaker van supersub Carlo de Reuver. „Het is geen makkelijke rol.”

Illustratie Anniek Tijmes

Bij een achterstand van 1-0 in het stadion van FC Dordrecht is de laatste hoop van Excelsior niet gevestigd op de beste speler van de ploeg. Wel op een invaller van negentien jaar die door de eredivisie dwaalt als een kind in Disneyland: vol bewondering. „Het is geweldig”, zegt Carlo de Reuver. „Al heb ik eerlijk gezegd nog moeite met het niveau.”

Toch is hij een waardevolle speler voor Excelsior. De aanvaller is niet alleen de snelst scorende invaller van de eredivisie ooit, hij heeft ook nog eens de minste balcontacten nodig voor een doelpunt. Vorige week tegen Heracles maakte hij na zestien seconden zijn derde treffer van het seizoen uit zijn 21ste balcontact in de eredivisie. Eerder bezorgde hij Excelsior een laat gelijkspel tegen AZ en FC Utrecht, vanuit respectievelijk zijn eerste en tweede balcontact van dat duel.

De tv-commentator van de NOS klinkt dan ook stellig als De Reuver tien minuten voor tijd wordt ingebracht: „Dit is het moment waarop hij nodig is.”

De jongeling heeft bij Excelsior een rol die Erik Meijer ooit had bij PSV, Juul Ellerman bij FC Twente, Pierre van Hooijdonk bij het Nederlands elftal en Martin Drent bij FC Groningen: die van supersub. Niet alleen de naam voor een reuzenduikboot, maar tevens voetbaljargon voor een reservespeler die de kwaliteiten (sterk, lang) bezit om het tij te keren. Niet goed genoeg voor een basisplaats, ideaal als breekijzer. Zo’n pinchhitter, naar een term die voortkomt uit het Amerikaanse honkbal, zou elke club moeten hebben, zei NAC-trainer Robert Maaskant eens.

Woede

Supersubs zijn vaak geliefd bij de fans. „Ik hoefde mijn hoofd maar uit de dug-out te steken of het publiek werd al opgewonden”, herinnert ervaringsdeskundige Martin Drent zich uit zijn tijd bij FC Groningen. „Niet leuk voor de spelers op het veld, maar wel voor mij.”

De boomlange spits beleefde zijn meest memorabele invalbeurt in 2004 in een uitwedstrijd tegen Feyenoord, toen hij bij een 1-0 achterstand twee keer scoorde in de ruim tien minuten die hij mocht spelen. Drent was getergd. Hij had heel lang moeten warmlopen en een vader en zoon op de tribune hadden hem continu uitgejouwd voor „blinde homo”. Drent: „Ik dacht potjandorie. Ik zal het flink voor die twee verpesten.”

Drent zegt dat boosheid een goede raadgever is voor een pinchhitter. Boosheid omdat de speler het niet eens is met zijn coach. „Ik wist wat mijn rol was en toch was ik er doodziek van als ik de dag van tevoren hoorde dat ik niet zou spelen. Ik ging dan eerst twee uur op bed liggen om te bedaren. Als je dat boze gevoel niet hebt, kun je beter stoppen. Dat zorgt ervoor dat je alles uit jezelf wilt halen in die paar minuten dat je speelt.”

Eerbied

De woede mag alleen niet ten koste gaan van het teambelang. Een echte supersub schikt zich in zijn rol, uit eerbied voor de keuzevrijheid van de trainer. „Het is geen makkelijke rol. Je moet mentaal sterk zijn en niet een al te groot ego hebben”, zegt Drent. „Niet iedereen kan het. Bij veel spelers wordt de motivatie juist minder.”

Denk aan de norse blikken van Melvin Platje. Als invaller maakte hij de mooiste goals voor FC Volendam en NEC, maar blij leek hij nooit. Van hem staat zelfs een filmpje op YouTube met de titel: Melvin Platje Supersub! Platje wil niet praten over dit onderwerp. „Andere vragen mag wel.”

Danny Koevermans werd als spits van PSV ook „moe” van de term pinchhitter. Hoewel hij over de afgelopen twintig jaar de op één na meest scorende invaller is, zo berekende Infostrada. Hij maakte er achttien, drie minder dan ‘gouden wissel’ Arnold Bruggink.

Koevermans en Platje zijn andere types dan de aanvaller die Excelsior zaterdag moest redden. Diens ego: piepklein. „Ik ben geen grote jongen”, zegt Carlo de Reuver. Hij kreeg tegen Dordrecht één kans op de gelijkmaker, maar miste. „Je hoort mij niet zeggen dat ik in de basis thuishoor.”

In plaats daarvan richt hij zich op het slot. Eerst tachtig minuten lang zijn mogelijke tegenstanders analyseren, daarna oorlog maken en vermoeide medespelers helpen.

En als hij dan scoort, is hij net zo voldaan als medespelers die de hele wedstrijd hebben gespeeld. „Ik leef voor mijn goals.”