Zo’n taakstraf is best zwaar, vergis je niet

illustratie martien ter veen

Ik stond op om half acht op, maakte snel koffie, stond mokkend onder de douche en stapte om kwart voor negen op mijn fiets. Ontbijten deed ik met een broodje gezond in de kantine en zodra ik mijn koffie op had begon ik met een ronde door het gebouw. Ik leegde de prullenbak in de zeefdrukruimte, de schilderswerkplaats, haalde een lapje over de tafels in de computerruimte en hing nieuwe wc-rollen op in de wc’s.

Mijn normale rite zag er iets anders uit: ik sliep grofweg tot ik wakker werd, dronk koffie in bed en nam net voor de middag een douche en kleedde me aan. Ik had zelden haast en hoefde eigenlijk nooit ergens heen voor een uur of vijf in de middag.

Als ik ’s avonds met mensen afsprak, gaf ik aan dat ik de volgende dag naar mijn werk moest en het niet te laat kon maken.

„Je taakstraf bedoel je”, zei een vriend dan lachend.

„Precies”, zei ik, „en dat is best zwaar, vergis je niet. Het is lichamelijk werk.”

„Echt iets voor jou dus.”

Al mijn collega-taakstraffers deden ongeveer hetzelfde. Sliepen ze voorheen pas rond een uur of vijf, nu lagen ze naar eigen zeggen voor twaalf uur in bed, doodmoe van de werkdag.

De Marokkaanse man met grote ogen was er soms al om half negen of eerder. Hij kwam op zijn scooter vanuit Osdorp en zodra hij binnenkwam dronk hij een kop koffie met melk, maakte een praatje met de man met de baard en begon met schoonmaken.

„Ik vind het lekker, dat vroege opstaan”, zei hij daarover, „vroeger zat ik in een club en bestelde flessen van duizend euro, snoof me helemaal wappie en ging slapen als de vogels wakker worden. Ken je dat, dat je in je bed gaat liggen, dat het al licht is buiten en dat die vogels zo heel hard gaan krijsen bij je raam?”

Dat kende ik maar al te goed.

„Dat is dus voorbij, gap, deze jongen gaat als hij hier klaar is elke dag vroeg opstaan. Niet meer naar de clubs, niet meer drinken, geen drugs”, zei hij, keek even naar de grond en moest toen lachen. „Nee maar écht”, voegde hij eraan toe toen hij zag dat ik ook moest lachen, „ik ben moe, echt heel moe.”

Toen ik in de gang de was ophing zag ik hoe de Marokkaanse man een nieuwe taakstraffer voordeed hoe je een mop goed uitwringt.

„Je moet hard drukken, doe alsof je boos bent, niet zo zachtjes, je bent geen flikker!” zei hij bazig.

De nieuwe jongen, die duidelijk net zijn bed uitkwam en nog onwennig op zijn benen stond, duwde met kracht de mop in de emmer, wrong hem uit en begon de vloer te dweilen.

„En dan rondjes maken”, fluisterde de Marokkaanse man die met zijn handen in zijn zij op een afstand te kijken hoe de nieuwe, zoals hij hem noemde, de vloer dweilde.

„Heel goed, de chef is heel tevreden over jouw werkzaamheden, jij komt er wel”, zei hij.