Zoek je weg in de Poetinclan

Ooit was Vladimir Poetin een tassendrager. Op internet circuleren foto’s uit de jaren negentig waarop de huidige Russische president de aktetassen en attachékoffertjes van burgemeester Anatoli Sobtsjak van Leningrad/Sint Petersburg meesjouwt.

De beelden van de tengere Poetin, gekleed in slecht gesneden confectiepakken, wekken een schlemielige indruk. Maar schijn bedriegt.

In haar boek Putin’s kleptocracy beschrijft Karen Dawisha, een Ruslandkundige uit de Verenigde Staten, hoe Poetin toen al bezig was met het project waarin politieke staatsmacht en economische zelfverrijking hand in hand zouden gaan. In dat plan was alleen plaats voor een select gezelschap collega’s uit de geheime dienst KGB en vrienden uit zijn geboorteplaats Leningrad.

De clan die Rusland sinds 2000 bestiert – politiek, justitieel en economisch – bestaat grotendeels uit mannen die Poetin om zich heen verzamelde nadat hij in 1990 als KGB-runner was teruggekeerd uit Dresden in de toenmalige DDR. Toen hij na de val van de Berlijnse Muur nolens volens weer thuis was, begon hij dat netwerk volgens Dawisha systematisch op te bouwen. Eerst als voorzitter van het Comité voor Buitenlandse Betrekkingen van Leningrad en daarna, voordat hij in 1996 als assistent van president Boris Jeltsin naar het Kremlin verhuisde, als locoburgemeester onder Sobtsjak.

Volgens Dawisha heeft Poetin in die eerste jaren na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie het fundament gelegd voor een zó ongebreideld coteriekapitalisme, dat een minimaal groepje intussen maximale rijkdom heeft kunnen vergaren: 110 mensen beheersten in 2013 maar liefst 35 procent van de nationale welvaart, zo heeft de bank Credit Suisse berekend.

Poetin trad daarbij lang niet op de voorgrond. Hij schiep wel de voorwaarden en maakte gebruik van de chaos tijdens de overgang van de centrale planeconomie naar het ‘wilde kapitalisme’. In Leningrad was Poetin de architect van een hulpprogramma dat tot doel had om de schaarste in de nadagen van de Sovjet-Unie te ledigen door staatsbezit te gelde te maken voor voedsel. In de praktijk werd met dit project de basis gelegd voor een nieuwe klasse. Een eerste generatie handelaren kreeg het recht om olie en andere grondstoffen te verkopen voor harde valuta. Maar het voedsel kwam nooit aan.

De vrienden die hij in deze periode maakte, bleef hij trouw. Gennadi Timtsjenko was een van de mannen die van dit schema profiteerden. Later werd hij de drijvende kracht achter de in Amsterdam gevestigde oliefirma Gunvor die bijna vanuit het niets omhoog spoot nadat Poetin in 2000 president van Rusland was geworden. Timtsjenko is intussen goed voor een geschat vermogen van 15 miljard dollar.

Een andere vriend uit het project ‘olie voor voedsel’ was Vladimir Smirnov, een van de deelnemers in het villapark Ozero (Meer) waar Poetin & Co via ambtelijke kanalen zoveel kavels en villa’s voor zichzelf wisten te regelen dat het te boek staat als een van de hoofdkwartieren van het huidige bewind. Smirnov leidt nu een exportfirma voor nucleair materiaal.

KGB-arm

Dit zijn geen nieuwe feiten. Er zijn in de jaren 90 pogingen gedaan om klaarheid te brengen in de handel en wandel van de Leningradse tassendrager. Twee bekende onderzoekers hebben ooit zelfs gepleit voor het ontslag van Poetin. Dat gebeurde niet. Sterker, de onderzoekers moesten onderduiken of zich koest houden. De lange arm van de KGB reikte ver, ook na de val van de Sovjetmacht in 1991.

Nadat burgemeester Sobtsjak de burgemeestersverkiezingen in 1996 smadelijk had verloren – Poetin was zijn campagnemanager maar gooide er volgens Dawisha met de pet naar – achtte de KGB-agent de tijd rijp voor de volgende fase. Hij vertrok naar het Moskou van Boris Jeltsin. Ook in het Kremlin ging Poetin zich bemoeien met de financiële kant van de macht: hij werd adjunct-chef van de afdeling in het Kremlin die de presidentiële bezittingen en zakelijke transacties runt.

Daarna ging het crescendo omhoog. Eerst souschef van het presidentiële apparaat van Jeltsin. Vervolgens directeur van de staatsveiligheidsdienst FSB en premier. En tot slot de take off als interim-staatshoofd toen Jeltsin op oudejaarsdag 1999 na een paleiscoup met een ‘vrijgeleide’ uit het Kremlin werd gezet.

Poetin kwam niet alleen naar het Kremlin. Zijn entree in het centrum van de macht bleek het toegangsbiljet voor de ‘clan’ uit Sint Petersburg te zijn. Ze kregen in de loop der jaren steeds hogere en lucratievere posities. Hoog qua politieke macht, lucratief qua materiële genoegdoening.

Een kleine greep uit de carrières van dit gezelschap. Igor Setsjin, in Sint Petersburg een loyaal manusje van alles voor Poetin, werd uiteindelijk topman van het staatsoliebedrijf Rosneft. Aleksej Miller, ambtenaar in Leningrad, werd gekatapulteerd tot CEO van Gazprom. Datsjavriend Vladimir Jakoenin klom op tot hoogste baas van de Russische Spoorwegen, een cashcow van jewelste. KGB-kameraad Sergej Narysjkin werd stafchef in het Kremlin, toen Poetin in 2004 voor de eerste keer werd herkozen, en is nu voorzitter van de Doema. FSB-vriend Sergej Ivanov is nu als hoofd van de presidentiële administratie qua operationele macht de tweede man van Rusland.

KGB-kleptocratie

Eén van de weinigen die Poetin toen niet meenam maar die toch carrière maakte, is minister Sergej Sjoigoe van Defensie. Eén van de weinigen die Poetin wél meenam maar van wie hij later afstand nam, is oud-minister Aleksej Koedrin van Financiën, die juist een consequente criticus is geworden van het economisch beleid.

Volgens Dawisha is het geen toeval dat een alliantie van oud-KGB’ers en kleptocraten de macht heeft gegrepen en het land runt alsof het haar eigen datsjapark is. Het scenario lag klaar. Niet pas vanaf 1999, toen Poetin het Kremlin betrad, maar al ruim tien jaar eerder, toen de Sovjet-Unie nog bestond.

Dawisha traceert de wortels van de KGB-kleptocratie in de tijd van Gorbatsjov. De geheime dienst werd toen zeer actief in het wegsluizen van Sovjetvermogen naar offshore banken en heeft die ervaring later omgezet in actie. De KGB werd tijdens de perestrojka een commercieel bedrijf met machtsambities. Ook toen wist de KGB al, net als het Kremlin, dat het Westen aangename ‘publieke goederen’ in de aanbieding had, zoals rechtsbescherming. Anders gezegd: dat je geld veiliger is in een rechtsstaat dan in een autoritaire of corrupte staat.

Deze dubbele moraal – het Westen afschilderen als vijandig of decadent maar er tegelijkertijd van profiteren – heeft de KGB sindsdien tot in de finesses uitgewerkt, betoogt Dawisha. Ze onderbouwt deze stelling met een vracht aan ‘circumstantial evidence’.

Overtuigend is haar beeld dat Rusland een publiek-privaat project is van een kliek die staatsmacht gebruikt om privébelangen veilig te stellen. Het grapje dat na de scheiding van Poetin en zijn vrouw Ljoedmila de ronde deed – bij de boedelscheiding zou alles voor de Oeral voor hem zijn en alles achter de Oeral voor haar – bevatte een kern van waarheid. Rusland is geen publieke staat maar een semiparticuliere onderneming.

Minder overtuigend is haar these dat er sprake is geweest van een vooropgezet plan. Dat laatste komt niet alleen omdat er geen harde bewijzen zijn te vinden voor het kennelijke complot dat in pakweg 1991 is gesmeed en nu is uitgemond in almacht voor Poetin & Co. Als die bewijzen er zijn, dan zullen we bovendien moeten wachten totdat deze KGB-club het Kremlin heeft moeten ontruimen. Nee, het komt ook door het het feit dat Dawisha geen oog heeft voor maatschappelijke verhoudingen. Ze negeert de politiek vrij consequent. Rusland zelf komt niet aan bod in Putin’s kleptocracy. Vandaar dat Dawisha haar onthutsende, gedocumenteerde boek zo eindigt: „Russen hebben een lange geschiedenis met grote bijdragen aan de mondiale cultuur, literatuur en kunst. Ze verdienen beter.”

Dat Karen Dawisha het beste met hen voorheeft, is goed om te weten. Amen. Maar dat een academica met zo’n Sting-cliché – ‘Russians love their children too’ – een meedogenloze analyse afsluit, is wel een anticlimax. Een ondraaglijke anticlimax omdat veel Russen, die wegens hun grootse cultuur kennelijk beter verdienen, zich tot nu toe juist hebben laten leiden door een minder verheven idee. Zolang de schoorsteen brandde, kon het de meerderheid van de Russische maatschappij geen lor schelen wat het Kremlin in het geniep uitspookt. Dankzij die apathie houden Poetin & Co zich tot nu toe staande.