Wat is kanker ook al weer?

Kanker is onlosmakelijk met het leven verbonden. Natuurlijk met ons dagelijkse, sociale leven, omdat kanker zoveel mensen ziek maakt. Eén op de drie mensen krijgt gedurende zijn leven een keer kanker. Iedere volwassene heeft dus wel iemand in zijn omgeving die net aan kanker is gestorven, in behandeling is, of die in spanning leeft of de kanker ooit terugkomt.

Maar ook het ontstaan van kanker, in ons lichaam, op celniveau, is gekoppeld aan het leven. ‘Leven’ is de georganiseerde activiteit van alle cellen in een lichaam. Daarmee denken, bewegen en slapen we en we halen er energie mee uit ons voedsel.

Die grote biomoleculaire machine in elk lichaam onderhoudt zichzelf door celschade te repareren, door oude en kapotte cellen op te ruimen en nieuwe te maken. Door celdeling. Vele miljoenen per dag.

Bij elke celdeling ontstaan ongeveer drie fouten in de zes miljard letters van de erfelijke code. Naarmate mensen ouder worden, hopen die fouten zich op. Meestal geeft dat niks, hoewel cellen er wel een beetje wrakkig door kunnen worden. Normale veroudering noemen we dat. Maar er zijn plaatsen in de erfelijke code waar een beschadiging hard aan kan komen.

Kanker ontstaat als in één cellijn na jaren vijf of zes van die cruciale fouten zijn ontstaan. Eén ontsporende cel is genoeg. En iedere mens heeft 37.000 miljard (nog eens negen nullen) cellen. De snelle delers daaronder hebben de grootste kans om in de loop van de levensjaren die fatale fouten te verzamelen. Dat verklaart voor een deel waarom in organen, als long, darm, borst en bloed vaker kanker ontstaat dan in botten en pezen.

Die drivermutaties, zoals kankeronderzoekers ze noemen, hebben als resultaat dat een cel ongecontroleerd gaat delen. En hij weet zich aan de controle van zichzelf, van zijn omringende cellen en van het afweersysteem te onttrekken.

Het idee is dat zo’n eerste ontsporing niet eens zeldzaam is. Dat iedereen regelmatig zo’n ontspoorde cel heeft die een paar celdelingen zijn gang gaat. Maar dan toch door het afweersysteem wordt opgeruimd. Of zelf aan desorganisatie te gronde gaat. Of misschien nog wel zichzelf opruimt.

Een ontremde cel die daaraan ontsnapt, moet groeikracht hebben. En het vermogen om zichzelf van bloedvaatjes te voorzien, zodat er voedsel en zuurstof binnenkomt, en om door te groeien in omliggend weefsel. En als die tumor dan ook nog cellen maakt die loslaten en zich makkelijk elders vestigen – uitzaaien – dan is er geen houden meer aan.

Het lijkt tegennatuurlijk wat zo’n kankercel doet. Maar een kankercel doet niets wat een gewone lichaamscel ook niet zou kunnen. Iedere cel kán in principe in ander weefsel doordringen. Het moleculaire programma ervoor ligt vast in de ruim 20.000 genen die in de kern van iedere lichaamscel liggen. Tijdens de groei van bevruchte eicel tot mensenkind is het heel nuttig om door ander weefsel heen te kunnen groeien. En de cellen van het afweersysteem (witte bloedcellen) die normaal in het bloed meestromen, kunnen het nog steeds. Als ergens een ontsteking moet worden bestreden, kunnen ze door de bloedvatwand heen en door weefsel heen naar de plaats van de ontsteking migreren.

Maar in verreweg de meeste lichaamscellen is dat doorgroei-in-anderen-programma geblokkeerd. Valt die blokkade, door een van die drivermutaties, stralingsschade of schadelijke stoffen, dan kan het misgaan. Zo’n dodelijke uitzaaiing is, anders gezegd, niet iets bovenmenselijks wat een kankercel met veel moeite verwerft. In werkelijkheid ligt het uitzaaiend vermogen in elke cel vast. En hoort bij het normale leven. In die zin is kanker met het leven verbonden. Onlosmakelijk.

De speciale NRC-bijlage over kanker is hier ook als e-book verkrijgbaar.