Hoogtevreugd

Wat moet je met een torentje? Kijken naar andere torentjes bijvoorbeeld.

Torentjes van boven naar beneden, v.l.n.r.: Disney-kasteel; Neuschwanstein in Beieren; Raadhuisstraat Amsterdam; Leliënhuyze Den Bosch; Hirschgebouw Amsterdam; gebouw De Utrecht, Damrak Amsterdam; Binnenhof Den Haag; Bijenkorf Amsterdam Foto´s Thinkstock / Leo van Velzen / ANP
Torentjes van boven naar beneden, v.l.n.r.: Disney-kasteel; Neuschwanstein in Beieren; Raadhuisstraat Amsterdam; Leliënhuyze Den Bosch; Hirschgebouw Amsterdam; gebouw De Utrecht, Damrak Amsterdam; Binnenhof Den Haag; Bijenkorf Amsterdam Foto´s Thinkstock / Leo van Velzen / ANP

Er staat een verrekijker in het met veel hout verbouwde torentje van de Bijenkorf in Amsterdam. Als vormgever Maarten Baas er overmorgen als eerste van een reeks artists in residence zijn intrek heeft genomen, kan hij hiermee het dakenlandschap van de Amsterdamse binnenstad verkennen. Vanuit zijn Room on the Roof, zoals het torentje is gedoopt, zal hij ontdekken dat het er wemelt van torentjes als waar hij zelf in werkt. Vlakbij het Bijenkorfgebouw staat bijvoorbeeld de beroemde Beurs van Berlage uit 1903, met behalve een vrij hoge klokkentoren, vier lagere torens. Door zijn achterraam kan Baas het torentje op de Effectenbeurs van Jos Cuypers uit 1913 zien. En als hij zijn verrekijker zuidwaarts richt, ziet hij in de verte, iets boven alle daken, de torentjes uitsteken van het voormalige warenhuis van Hirsch (1912, nu Applestore) op het Leidseplein en van Metz & Co (1908, nu Abercrombie & Fitch) in de Leidsestraat.

Het uitzicht in alle richtingen in het Bijenkorftorentje uit 1913 zal Baas het gevoel geven krijgen dat hij on top of Amsterdam, zo niet de hele wereld is. Torentjes geven een gevoel van macht. Maar tegelijkertijd heeft het Bijenkorftorentje door het kleine vloeroppervlak en het spaarzame meubilair ook iets van een monnikencel waar in alle rust kan worden gewerkt. Ook doordat de Room on the Roof slechts bereikbaar is na een tocht over en onder de daken van de Bijenkorf, lijkt het torentje ver verwijderd van het rumoer van de stad.

Het nieuwe gebruik van het Bijenkorftorentje, dat lang leeg stond, doet denken aan het beroemdste torentje in Nederland: het Torentje van het Binnenhof in Den Haag. Als eerste ‘prime minister in residence’ betrok Ruud Lubbers het in 1982. Tijdens de formatie van zijn eerste kabinet had de CDA-politicus de achthoekige, vijftiende-eeuwse hoektoren van het Binnenhof gebruikt voor vergaderingen en overleg. Misschien wegens het gevoel van macht én rust dat torentjes geven, besloot Lubbers dat hij er als premier zou blijven werken. Als goed katholiek hing hij er een kruisbeeld aan de muur. Lubbers’ opvolgers, onder wie Mark Rutte, die er een gewei ophing, bleven tot op de dag van vandaag in het Torentje werken. Zo werd het Torentje het machtscentrum van Nederland: hier komen politici en ministers bijeen om in alle rust crises te bezweren.

Kloeke hoektorens

Het Torentje laat zien waar de oorsprong ligt van alle torentjes: de kastelenbouw uit de tijd van de gotiek. In de middeleeuwse Nederlandse kastelen, zoals het Muiderslot en Slot Loevestein, bleef de torenbouw meestal beperkt tot kloeke hoektorens. Maar vooral in Duitsland werden burchten, zoals die van de Hohenzollerns bij Hechingen, vaak omhoog strevende opeenstapelingen van torens en torentjes. Op de gotiek volgde de renaissance, waarin architecten teruggrepen op de klassieke bouwkunst van de oude Romeinen. En Romeinse architecten hadden altijd de voorkeur gegeven aan horizontaliteit boven verticaliteit. Hun tempels en andere bouwsels hadden nooit torens of andere naar de hemel wijzende bouwdelen.

Dit betekende niet dat het met de Nederlandse torenbouw was gedaan, toen de renaissance in het begin van de zestiende eeuw Nederland bereikte. De gotische traditie om naar de hemel te streven bleef hardnekkig voortleven, en een architect als Hendrik de Keyser paste, op zijn eigen, Hollandse manier, de beginselen van de klassieke bouwkunst toe op de torens van zijn Zuiderkerk en de Westerkerk in Amsterdam.

Zelfs torentjes verdwenen niet. Zo plaatste de Hollandse classicist Jacob van Campen ‘lantaarns’, minitorentjes, op de koepels van zijn kerken. Hij kon het zelfs niet laten om het nieuwe Amsterdamse stadhuis uit 1655, nu het Koninklijk Paleis op de Dam, schuin tegenover de Bijenkorf, een torentje te geven. Maar de zeventiende-eeuwse woonhuizen en stadspaleizen langs de Nederlandse grachten kregen nooit torentjes.

In de negentiende eeuw, toen de klassieke bouwkunst moest wedijveren met allerlei neostijlen, keerden de middeleeuwse torentjes terug. Het internationale hoogtepunt van de negentiende-eeuwse torentjesbouw is het slot Neuschwanstein op de top van een Zuid-Beierse rots, gebouwd voor koning Ludwig II. In de twintigste eeuw stond het slot model voor de sprookjeskastelen in de verschillende Disneylands.

Ook in Nederland werd aan het einde van negentiende eeuw nauwelijks nog een prestigieus kantoorgebouw, warenhuis of appartementengebouw gebouwd zonder torentje. Zo heeft Maarten Baas straks vanuit zijn Room on the Roof uitzicht op verschillende torentjes aan het Damrak van omstreeks 1900. Zoals die van het kantoorgebouw De Utrecht op Damrak nummer 28 van J.F. Staal uit 1903.

Ongenade

Pas met de komst van het modernisme in de twintigste eeuw vielen torentjes echt in ongenade. Voor hardcore modernisten, die ontwierpen volgens het beginsel form follows function waren torentjes, net als versieringen, iets waar de bouwkunst heel goed zonder kon. De vele modernistische dozen uit de twintigste eeuw hebben dan ook hoogstens een uitbouwtje. Met het postmodernisme maakte het torentje in de jaren tachtig een glorieuze comeback in de Nederlandse architectuur. Zo heeft de Apenrots in Amsterdam, het door Alberts en Van Huut ontworpen ‘organische’ hoofdkantoor van de toenmalige NMB-bank (nu ING), verschillende torentjes.

Met de woonkastelen die in de decennia voor en na 2000 overal in Nederland zijn gebouwd, kregen ook steeds meer appartementencomplexen torentjes. Zo kan Baas, als hij heel goed door zijn verrekijker westwaarts kijkt, de vijf torens zien van de Meander, een complex uit 2001 met ruim 300 woningen in de Amsterdamse Staatsliedenbuurt, ontworpen door de romantische en in Nederland invloedrijke Luxemburgse architect Rob Krier. Maar het voorlopige hoogtepunt van de nieuwe Nederlandse torentjeskastelen blijft onzichtbaar voor hem. Want Leliënhuyze, het sprookjeskasteel dat Sjoerd Soeters in 2005 bouwde, ligt in Haverleij, de vinexwijk van de Brabantse hoofdstad Den Bosch.