Voor IS staat de tijd stil, voor ons niet

Veel westerlingen leggen nadruk op het achterlijke en barbaarse karakter van IS. Maar daar denken de terroristen anders over, constateert Matthijs Lok. Meer onderzoek naar de ontwikkeling van identiteit en tijdsbewustzijn kan Europa helpen.

Bamyan, 200 km ten westen van Kabul, Afghanistan. In 2001 vernietigde de Taliban hier twee grootse Boeddha beelden.
Bamyan, 200 km ten westen van Kabul, Afghanistan. In 2001 vernietigde de Taliban hier twee grootse Boeddha beelden. Foto AFP

Opvallend vaak wordt de westerse ontzetting over de Islamitische Staat (IS) in termen van tijd verwoord. Veelvuldig verwijten politieke leiders de gewelddadige terreurorganisatie dat deze niet in de huidige tijd thuis hoort.

Zo zei president Obama dat „er geen plek is voor IS in de 21ste eeuw”. En de Britse premier Cameron stelde dat IS een ‘quasi middeleeuwse staat’ vormt. Tegenover de ‘middeleeuwse’ opvattingen van IS stonden, zo stelde Cameron vast, de ‘20ste-eeuwse’ waarden van de representative democratie.

De Britse premier staat daarin niet alleen; in reactie op de recente aanslagen op Charlie Hebdo in Parijs benadrukken veel westerlingen het ‘achterlijke’ en ‘barbaarse’ karakter van de islamistische terreur. De formuleringen van Obama en Cameron zijn typerend voor de westerse visie op IS. Deze organisatie vormt een ‘middeleeuwse’ anomalie in de ‘moderne’ tijd. Tegelijkertijd zou het ‘barbaarse’ karakter van IS contrasteren met de ‘moderne beschaving’ van de tegenwoordige tijd.

Deze opmerkingen passen in een breder westers vertoog van islamkritiek. Het voornaamste verwijt van veel Europese, ook Nederlandse, islamcritici is niet dat deze religie ‘onwaar’ is, maar dat deze ‘achterlijk’ (achterop) is, en dus niet in de huidige tijd terecht hoort. Opvallend is dat andere gewelddadige regimes in het Midden-Oosten, zoals dat van de Syrische president Assad, niet in deze termen worden omschreven.

Deze interpretatie van IS zegt dan ook veel over het zelfbeeld en de tijdsopvatting van het westen zelf. Het westers moderniteitsbegrip heeft een sterke temporele invulling: opvattingen van tijd en geschiedenis staan centraal. De ‘moderne’ identiteit impliceert een breuk met een minder ontwikkelde toestand van de samenleving, verder terug in de geschiedenis.

Het idee van moderniteit als breuk met een eerder en minder beschaafd verleden ontstond in de Verlichting, vanaf de tweede helft van de 17e eeuw. Voor het eerst in de geschiedenis begonnen Europeanen zich als anders en beter te zien dan de bewoners van eerdere tijden. Tegenover het onderontwikkelde en ‘barbaarse’ verleden stond de eigentijdse verlichte moderne tijd. Deze verlichte moderniteit was gevormd door de toegenomen wetenschappelijke kennis, een rationele denkwijze en de beschavende werking van de handel. Die laatste zou op termijn alle oorlogen overbodig maken.

De verlichters meenden dat in de toekomst een betere wereld gemaakt zou kunnen worden door menselijk optreden. De christelijke ‘hemelse stad’ zou niet zoals kerkvader Augustinus had beweerd pas na de dood kunnen worden gebouwd, maar werd verplaatst naar een onbestemd moment in de (verre) toekomst op aarde.

Dit klassieke verlichte vooruitgangsverhaal was ook in de eigen 18e eeuw niet omstreden. Veelal religieus geïnspireerde Verlichtingscritici bekritiseerden fel de ‘hoogmoed’ van de verlichte auteurs, die zij - veelal ten onrechte - een atheïstische en anti-gezagsagenda verweten. Hoewel veel anti-verlichters niet ontkenden dat er in de 17e eeuw grote ontdekkingen waren gedaan, betekende deze wetenschappelijke innovaties niet dat de mensheid zich ook moreel en sociaal kon verbeteren. Het bewijs voor stellingen, vonden veel verlichtingscritici in de Franse revolutie. Deze revolutie liet volgens hen goed zien waar utopische idealen en menselijk zelfvertrouwen toe zou leiden: een bloedige guillotine.

De wereldoorlogen in de 20ste eeuw en later de herinnering aan de Holocaust schokten het westers idee van vooruitgang en de superioriteit van de Europese moderniteit diep. Maar ook na 1945, ‘Stunde Null’, werd het verleden afgesloten en vonden Europeanen de moderniteit opnieuw uit. Een nieuwe belofte voor een toekomstige samenleving werd belichaamd door het naoorlogse project van Europese integratie.

Vooral na val van de muur in 1989 leefde het moderne tijdsidee triomfantelijk op. Het duistere verleden leek afgesloten en de belofte van een vredige en welvarende toekomst zonder ideologische strijd leek binnen handbereik. Hoewel deze dominante opvatting na de oorlogen in Joegoslavië in de jaren negentig, de aanslagen van 9-11, de opkomst van het autoritair geleide China en ten slotte de huidige Westerse economische crisis steeds meer afbrokkelt, vormt een verlichte tijdsopvatting nog altijd het onuitgesproken fundament onder de westerse moderne identiteit.

De opkomst van IS schokt dan ook het westen. Niet alleen vanwege de grote gewelddadigheden die, hoe verschrikkelijk ook, niet uniek lijken te zijn in de context van het huidige Midden-Oosten. IS schoffeert de westerse publieke opinie door de radicale afwijzing van haar idee van tijd. Voor IS lijkt er geen verschil te zijn tussen de begintijd van de islam en het heden. Een betere samenleving ligt niet in de toekomst, maar juist in de terugkeer naar een religieuze heilstaat in het geïdealiseerd, ver verleden. De strijd tussen de – in haar ogen - zuivere islam en zijn tegenstanders is tien eeuwen geleden geen andere dan tegenwoordig.

De oudere tijd vormt voor IS geen afgesloten ‘geschiedenis’ met een ander en vooral minder ontwikkeld (‘achterlijk’) karakter dan het heden. Religieuze waarheid is in de ogen van gelovigen tijdloos. Alleen wordt deze ahistorische boodschap nu met moderne technologie gebracht en bewust uitgedragen tegenover het moderne westerse wereldbeeld.

Deze radicale moslims lijken dan ook geen of in ieder geval een heel andere notie van ‘historisch erfgoed’ te hebben. Een godsdienstige afbeelding, kunstwerk of uitspraak uit de 12e of 16e eeuw wordt niet anders gewaardeerd of beoordeeld dan één die vandaag is gemaakt. Zie de vernietiging van de Boeddhabeelden in Afghanistan of de tombes van Soefiheiligen in Timboektoe door islamisten.

Juist het min of meer vanzelfsprekende en onvermijdelijke karakter gaf het uit de Verlichting stammende en zich steeds vernieuwende tijdsidee zijn grote kracht. Wie zich tegen de opkomende moderniteit verzet, is een verliezer van de geschiedenis, een ‘middeleeuwse’ anomalie in het heden, zo stellen Obama en Cameron en vele andere politici en commentatoren.

De opvatting van tijd als een proces van een minder ontwikkelde en afgesloten toestand naar een superieur heden en, uiteindelijk, een nog betere toekomst lijkt door IS bruut te worden afgewezen. Juist de radicale en provocerende wijze waarop deze nog steeds dominante opvatting van tijd naar de prullenbak wordt verwezen door IS, die, anders dan bijvoorbeeld Rusland, op zich geen werkelijk serieuze militaire bedreiging voor het westen vormt, toont het kwetsbare karakter ervan aan. Perceptie van verleden, heden en toekomst vormen geen mondiale vanzelfsprekendheid, maar zijn een cultureel bepaalde horizon die kennelijk ook terzijde geschoven kan worden.

De juiste reactie op deze temporele provocatie is een agressieve verdediging van het triomfantelijke verlichte tijdsbeeld noch een angstig cultureel relativisme. Verfijnde veiligheidstechnieken alleen zijn niet voldoende om deze crisis goed te doorstaan.

Reflectie, gevoed door het huidige (geestes)wetenschappelijk onderzoek naar de ontwikkeling van identiteit en tijdsbewustzijn, zal Europa in de 21ste eeuw eerder versterken dan ondermijnen.