Voor één gered leven ervaren velen ongemak

Tests die tumoren in borst, baarmoederhals of darm moeten opsporen, worden massaal gebruikt. De overheid stimuleert dat, tot ergernis van critici, schrijft Wim Köhler.

Een kankergezwel ontdekken voordat het kwaad kan. En met een eenvoudige behandeling genezen. Dat was het ideaal van de vroege opsporing van kanker met bevolkingsonderzoeken. In Nederland zijn die er voor baarmoederhalskanker, borstkanker en, sinds een jaar, dikkedarmkanker.

Nederlanders doen er tamelijk enthousiast aan mee. Van alle 30- tot 60-jarige vrouwen die een oproep krijgen voor het baarmoederhalskankeronderzoek, gaat 60 procent naar de huisarts om een uitstrijkje te laten maken. Bij de borstkankerscreening laat bijna 80 procent van de vrouwen tussen 50 en 75 jaar iedere twee jaar borstfoto’s maken.

Vorig jaar begon het bevolkingsonderzoek naar darmkanker, voor 55- tot 75-jarigen. Het wordt gefaseerd ingevoerd. In 2019 heeft iedereen een keer een envelop in de bus gehad. Daarin zit een potje om een beetje poep in te doen. Stuur het op en iemand onderzoekt of er bloed in zit. Zo ja, dan volgt een oproep voor een coloscopie, waarbij een darmdeskundige de darm van binnen op poliepen of kanker bekijkt. Poliepen kunnen een voorstadium van darmkanker zijn.

Er zijn nieuwe screeningsprogramma’s in ontwikkeling. Longkanker bij verstokte rokers, eierstokkanker, alvleesklier- en slokdarmkanker. Dat zijn tumoren die vaak pas last geven als ze ver zijn doorgegroeid, waardoor de patiënt niet meer te redden is. Ook over een bevolkingsonderzoek naar prostaatkanker is nagedacht, maar zoals het er nu voorstaat: dat komt er niet. Er zouden veel te veel prostaatkankers worden ontdekt en behandeld, waar de patiënt (meestal oudere mannen) nooit last van zouden hebben gekregen.

Overdiagnostiek en overbehandeling zorgen voor groeiende kritiek op de screeningsprogramma’s. Het oorspronkelijk optimisme uit de jaren zeventig en tachtig is verdwenen. Vooral over het nut van borstkankerscreening woedt onder medici en onderzoekers een felle discussie.

„Door niet mee te doen aan borstkankerscreening verlaagt een vrouw haar borstkankerrisico met een derde.” Dat is een favoriete uitspraak van de Deense borstkankerscreeningscriticus Peter Gøtzsche. Hij zegt, en hij staat niet alleen, dat 30 tot misschien wel 50 procent van de bij borstkanker ontdekte tumoren nooit last zullen veroorzaken. Het zijn langzame groeiers. Ze zullen niet in ander weefsel doorgroeien en niet uitzaaien. Bij screening worden erg veel, steeds meer, van die kleine tumoren gevonden, terwijl het aantal agressieve borstkankers dat aan het licht komt niet echt afneemt. De gedachte dringt zich steeds sterker op dat die kleine tumoren lang niet altijd de voorlopers zijn van die dodelijk snel uitzaaiende tumoren die snel de kop opsteken.

Het Nederlandse bevolkingsonderzoek naar borstkanker steekt, volgens Nederlandse deskundigen, gunstig af bij sommige buitenlandse screeningen: 5 tot 10 procent van de vrouwen bij wie een tumor is gevonden, wordt nodeloos behandeld. Dat komt door de keuze van afkappunten bij de beoordeling van de borstfoto. Het Nederlandse borstkankerscreeningprogramma verandert de laatste jaren overigens wel. Er wordt sneller alarm geslagen. Van de vrouwen die op hun 50ste voor het eerst aan de screening meedoen, wordt er nu 1 op de 25 voor verder onderzoek doorverwezen. Dat is ruim een verdubbeling, vergeleken met 20 jaar geleden. Bij 6 op 7 blijkt vervolgens niks aan de hand. Zij zijn voor niks ongerust gemaakt. Ook dat is een verdubbeling.

Op de darmkanker- en baarmoederhalskankerscreening is minder kritiek, ook omdat het onderzoek en de behandeling minder belastend zijn. De darmkankerscreening zal zeker de sterfte aan darmkanker doen dalen, maar die test is niet ideaal: ongeveer één op de drie à vier darmkankers wordt met de poeptest niet opgemerkt.