Veel kinderen zijn verdrietig door het tehuis van hun ouders

Staatssecretaris Van Rijn voert de grote hervormingsoperatie in de zorg opvallend kalm uit. „De verpleeghuisleiding kan niet zeggen: u valt nu onder ons regime en wij doen het hier zo.”

Tekst Ingmar Vriesema en Frederiek Weeda Foto’s Merlijn Doomernik

Staatssecretaris Martin van Rijn: „Nu al zijn gezinnen een kwart van hun inkomen kwijt aan zorgpremies. Als dat oploopt tot de helft, dan is het onhoudbaar. Juist voor lage inkomens.”
Staatssecretaris Martin van Rijn: „Nu al zijn gezinnen een kwart van hun inkomen kwijt aan zorgpremies. Als dat oploopt tot de helft, dan is het onhoudbaar. Juist voor lage inkomens.”

‘Hier komt genuanceerde Martin weer.” Met die disclaimer begint staatssecretaris Martin van Rijn (VWS, PvdA) meermaals een antwoord in dit interview, gevolgd door een verbale tocht langs drie beleidslijnen – of zelfs vier.

Het is de reflex van een man die al decennia werkt in de top van Haagse ministeries – van Binnenlandse Zaken tot Volksgezondheid. Hij is gewend zich bezig te houden met vergezichten die zijn uitgesponnen in ambtelijk jargon – van ‘geëxtramuraliseerde zorg’ tot ‘kwaliteitsregisters’ en communicatie over ‘zorgcontinuïteit’. Spreekt hij die woorden uit, dan hoor je een zweem Rotterdams. Op zijn werkkamer hangt een shirt van Feyenoord, met op de borst een handtekening van Ronald Koeman.

Je zou hem de belangrijkste man van dit kabinet kunnen noemen: de hervormer van de jeugdzorg en de langdurige zorg, die nu – sinds de decentralisatie van 1 januari – ‘dichterbij de burger’ moeten liggen. Er sluiten zo’n tweehonderd locaties van verzorgingshuizen onder zijn bewind en op de schoonmaakhulp voor ouderen en gehandicapten die thuis wonen, wordt fors bezuinigd. Zij moeten voortaan familie en vrienden lief aankijken.

Deze megaklus – de volksverzekering AWBZ is ontmanteld, er kwamen drie nieuwe wetten bij – voert Van Rijn opvallend kalm uit. Met zoals altijd die bedaarde en onpersoonlijke stijl.

Ironisch dus dat uitgerekend hij in november belandde in een hyperpersoonlijke nieuwshype. Een verhaal met klachten van ene Joop van Rijn over het verpleeghuis van zijn dementerende vrouw kwam terecht in het AD. Het bleek te gaan om de ouders van de staatssecretaris. Ineens draaide het werk van Martin van Rijn niet meer om de hervorming van de zorg, maar om de urine langs de enkels van zijn bloedeigen moeder.

In het televisieprogramma Pauw gaf van Rijn ’s avonds weerwoord. Dapper, vonden sommigen. Kil, vonden anderen – hij zou te afstandelijk hebben gepraat. Gevraagd hoe hij terugkijkt op die uitzending, stuurt hij het antwoord eerst weg van zijn ouders. „De uitzending ging heel erg over de casus. Over mijn moeder. En dat raakt je dan natuurlijk. Maar vervolgens gaat het er mij om: wat ervaren mensen in den brede? En dat hangt natuurlijk niet af van wat personen overkomt, maar van de kwaliteit van de verpleeghuizen.”

Waarom schoof u dan aan bij Pauw?

„Omdat de hele dag óver mij gepraat werd en niet mét mij. Dus ik dacht: ik snap best dat ik met 3-0 achtersta, maar ik ga het toch doen.”

Heeft u de uitzending teruggekeken?

Korte aarzeling. „Ja.”

Waarom?

Weet je, mensen keken heel verschillend tegen de uitzending aan. Er was een groep die zei: het is alsof hij het zich niet aantrekt. En mensen die mij kennen, mijn vrienden, die zeiden: hij is boos en verdrietig. Die tweede groep had gelijk.”

Verdrietig?

„Over mijn moeder, over mijn vader, hoe hij is behandeld, hoe de discussie is gevoerd. Over wat hem in de media overkwam. En dan zeg ik niet dat het aan de media ligt. Maar wat er met hem gebeurde. Hij werd veel gebeld, en dat wilde hij helemaal niet.”

Dat oude mensen in sommige verpleeghuizen te weinig aandacht krijgen, gaat toch over duizenden mensen. Niet alleen over uw moeder.

„Ja, er zijn veel kinderen die echt verdrietig worden van de kwaliteit van het verpleeghuis waar hun ouders zitten. De bewoners krijgen te weinig aandacht, er zijn te weinig activiteiten, het personeel heeft te weinig tijd voor ze. En een ziekte als dementie is op zichzelf al vreselijk, daar word je verdrietig van.”

Demente bewoners plassen wel vaker in hun broek. Kan een bestuurder daar wel iets aan doen?

„In de ene instelling is het personeel er sneller bij dan in de andere instelling. Met hetzelfde budget weet het ene verpleeghuis de zorg beter te organiseren dan het andere. Dat heeft met management te maken. Kent de leiding de werkvloer, zijn personeel, zijn bewoners? Dat moet wel maar soms is dat gewoon niet zo. Het belangrijkste: bestuurders moeten echt luisteren naar de bewoners en hun familieleden. Dat geldt voor wat er te eten is tot de activiteiten die worden aangeboden. Dus niet zeggen: u valt nu onder ons regime en wij doen het hier zo.”

Begrijpt u dat het publiek boos wordt over de hoge salarissen van zorgbestuurders?

„Ik snap die irritatie wel. Maar laten we nou niet doen alsof alles beter wordt als die mensen minder verdienen. Maar dit kabinet heeft niet voor niets de wet normering top inkomens ingevoerd.”

Hoe gaat u de kwaliteit van de zorg in verpleeghuizen verbeteren?

„Uit elk inspectierapport blijkt dat als een verpleeghuis één specifiek probleem moet aanpakken, ze dat dan snel doen. Bijvoorbeeld infectiepreventie. Maar duurzaam verbeteren, vinden ze lastig. Daarom stel ik nu een plan op met de beroepsgroep van verpleegkundigen en verzorgenden en de opleidingen en de bestuurders om de zorg structureel te verbeteren.”

Hoe?

„We kunnen bijvoorbeeld eisen dat het personeel hoger opgeleid is, maar voor dat zo ver is, zijn we een paar jaar verder. Dus ik zou zeggen: spijker zittend personeel bij over dementie.”

Is er niet gewoon te weinig personeel in verpleeghuizen? In de kinderopvang is er één leidster op 4 à 5 baby’s. In een verpleeghuis soms één verzorger op 20 bewoners.

„Er zijn geen vaste personeel-bewoner-ratio’s. Ik ga nu onderzoeken welke verhouding adequaat zou zijn. Maar de hoeveelheid personeel zegt ook niet alles: vroeger liep een zuster rondjes maar dan kan er ook iemand uit bed vallen, vlak nadat de zuster weer weg is. Tegenwoordig hangen we ook camera’s op zodat we meteen zien of iemand uit bed valt en er zelfs op kunnen anticiperen. Dan is er misschien minder personeel maar is het toezicht beter.”

Krijgt u veel kritiek van uw PvdA-achterban omdat u bezuinigt op ouderenzorg?

„Ik merk dat veel mensen beseffen dat er wel íets moest gebeuren. Dit is juist waar de PvdA voor staat: zorgen dat goeie zorg beschikbaar blijft voor iedereen. Het systeem moet houdbaar zijn. Ik vind het dus redelijk dat we nu aan mensen vragen of ze, of familie, de schoonmaak kunnen betalen of het zelf kunnen doen. Dan houden we andere, echt belangrijke zorg, uit de wind.”

Oude mensen zonder familie of geld, moeten het zelf maar redden?

„Voor hen krijgen de gemeenten een miljard euro. En weet je, nu al zijn gezinnen een kwart van hun inkomen kwijt aan zorgpremies. Als dat oploopt tot de helft, dan is het onhoudbaar. Juist voor lage inkomens – die kunnen de helft van hun inkomen niet missen.”

De decentralisatie van de zorg en jeugdzorg is een paar weken oud. Hoe staat gedecentraliseerd Nederland er eigenlijk voor?

„Ik vind het te vroeg voor een oordeel. Er is eind vorig jaar enorm veel aandacht geweest voor de continuïteit van zorg en het rond krijgen van contracten, en dat lijkt goed gelukt. Ik heb een rondje gemaakt langs verschillende meldpunten, en zorginstellingen, daar was het beeld redelijk rustig. Maar het is te vroeg.”

Eind vorig jaar was er veel onrust over de jeugdzorg. Over een gebrek aan geld. In een enquête onder tweederde van alle gemeenten vroegen wij wethouders hiernaar…

„… Wat hadden jullie zelf als antwoord verwacht, als je daarnaar vraagt? Hebben jullie als krant genoeg geld om je werk goed te kunnen doen?”

Het was een stelling die we bewust positief hadden geformuleerd: ‘Onze gemeente heeft genoeg geld om naar behoren de jeugdzorg uit te voeren.’ Slechts een op de vijf wethouders zei ‘ja.’ Wat zegt u tegen hen?

„Daar kan ik een paar dingen over zeggen. Om te beginnen: de zorg – ook de jeugdzorg – is niet statisch. De zorg verandert. Denk in de jeugdzorg aan de ontwikkeling van intramurale zorg naar ambulante. Zulke vernieuwingen hebben gevolgen voor de budgetten. Wonen in een instelling is duurder, ambulante hulp goedkoper. Over het tempo van die vernieuwingen maak je schattingen, maar je weet niet hoe dat in werkelijkheid gaat. Bovendien: de budgetten voor de jeugdzorg zijn gebaseerd op historische cijfers uit 2012 en 2013. Je moet in de gaten houden: kloppen die veronderstellingen met de objectieve vraag naar jeugdzorg nu. Daar maken we nieuwe verdeelmodellen voor. Dat weet je nog niet.”

Het is de bedoeling dat jeugdzorg preventiever wordt. Wijkteams die vroeg ingrijpen bij ontsporende gezinnen. Maar, waarschuwen de rekenkamers van de vier grote steden: als je met een stofkam door de wijk gaat, zal de zorgvraag de eerste paar jaar juist stijgen.

„Kom ik op mijn volgende punt. De vraag is: hoe ga je beoordelen wat de resultaten zijn van de decentralisatie in de jeugdzorg? We pakken nu één punt eruit – het budgettaire. Misschien dat een gemeente eerst meer gaat uitgeven en daarna minder. Sommige gemeenten zullen extra geld uittrekken of een buffer opbouwen. Maar dan is de vraag: hoe pakt het uit in vijf jaar? Je kan het niet met een schaartje van één jaar knippen.”

Maar de budgetten dalen ook na 2015. Nu 3 procent, volgend jaar 7 procent, en in 2017 met 5. Vandaar de conclusies van de vier rekenkamers. Het zijn de feiten die we nu kennen.

„Nou ja feiten. Het zijn de veronderstellingen die weleens worden geuit. De cijfers over de precieze vraag naar jeugdzorg in 2014 kennen we nog niet, laat staan die voor 2015. Het is dus maar de vraag of de jeugdzorg in het begin duurder is.

In Denemarken was in 2007 eenzelfde soort overheveling van jeugdzorg naar de gemeenten. Ook meer nadruk op preventie. Daar stegen de kosten de eerste jaren exponentieel.

„Er is ook een ander element in het Deense voorbeeld. Pas een paar jaar na de decentralisatie zeiden ze: de regionale samenwerking tussen gemeenten moet eigenlijk sterker. Want sommige zorg moet je op grote schaal inkopen. Dat doen we in Nederland al meteen. Anders krijg je inefficiënte inkoop. Als je het anders organiseert, denk ik dat we Denemarken misschien wel kunnen verslaan.”

Voelt u zich eigenlijk nog verantwoordelijk voor jeugdzorg en zorg of zegt u: het is niet meer mijn pakkie-an?

„Allebei gaat op. Ik besef heel goed dat het nu de taak van gemeenten is. Ik hield vorig jaar veel bijeenkomsten met wethouders. Mijn laatste vraag was altijd: ‘Wat kan Den Haag nog voor jullie betekenen?’ En het mooie was, dan zeiden ze” – hij maakt van zijn handen een roeptoeter – „‘houd je erbuiten!’ Maar ik voel me wel verantwoordelijk en ik heb vanaf het begin gezegd, ik wil niet de staatssecretaris zijn die wetten door het parlement loodst en daarna zegt: veel succes ermee. Daar ben ik het type niet naar, en ik vind het voor de zaak ook niet goed. Decentralisatie is niet het doel, het is het middel om te komen tot betere zorg. En dan moet je volgens mij toch – op gepaste afstand – de boel in de gaten houden.”