Van Azkaban tot bellenblazen

Joyce Roodnat

Kunst wekt weerstand. Tuymans/Van Giel. Sunny Side Up. Jean Desmet. Rossini: Reims.

In Antwerpen heeft de rechter een schilderij van Luc Tuymans verboden. Die rechtszaak wilde niemand, ook fotografe Katrijn Van Giel niet. Tuymans had zich haar werk toegeëigend voor een schilderij. Dat lijkt sprekend op haar foto en toch is het op en top Tuymans. Zij vroeg slechts om een credit, wat Tuymans nogal hooghartig negeerde. Stom stom stom. Het werd een proces en nu is de winst dat iedereen verliest. De schilder, die het doek niet meer tentoon mag stellen of reproduceren. De fotografe met haar pyrrusoverwinning. Het publiek, dat het doek niet meer mag zien. En het schilderij zelf. Dat is in existentieel niemandsland beland. Het bestaat en tegelijk bestaat het niet. Voor de fans van Harry Potter: het zit in Azkaban.

In Amsterdam maakt een actiecomité de film Michiel de Ruyter zwart. De première moet verstoord worden, want de film zou recht doen aan „koloniale geschiedvervalsing” en „het verheerlijken van zeeschurken”. Bij gebrek aan De Ruyter zelf worden de makers ter verantwoording geroepen omdat hij zich niet verzette tegen de slavenhandel. Ze hadden De Ruyter in hun film de oren moeten wassen. Ze moesten helemaal niets. Ze maken een film en daar mag iedereen zijn mening over hebben, maar dit tribunaal dat de film schuimbekkend aanklaagt en zijn publiek associeert met potentiële slavendrijvers, is hysterisch. Ik ga die film zien. En dan maak ik zelf uit hoe ik in mijn oordeel verdisconteer dat De Ruyter leefde in de zeventiende eeuw, toen voor heel Holland slavenhandel geen punt was.

Ook Terschelling klom in de gordijnen om een film: Sunny Side Up, zo’n zaterdagse ‘Telefilm’. Ik had hem overgeslagen, nu ging ik meteen kijken. Via Uitzending Gemist zag ik een relatiedrama dat zich op het Waddeneiland ontrolt tegen de achtergrond van ‘sunderum’ – volgens de Terschellingers een prachtige traditie, maar je kunt er ook een vrouwvernederend volksfeest in zien. In de film gebruikt een toerist het als dekmantel om zijn vriendin te verkrachten. In de sociale media beklagen de eilanders zich heftig. De film is een belediging. Zo ís Terschelling niet. Nee, zilte suffies, dat dacht ook niemand. Maar omdat jullie stampij maken, hebben wij reden om te denken dat jullie je betrapt voelen en het eigenlijk wél zo is.

De Terschellingers gedragen zich alsof het nog 1896 is. In dat jaar raakten de toeschouwers van L’arrivee d’un train en gare de La Ciotat – 52 seconden film van de gebroeders Lumière – in paniek omdat ze dachten dat de stoomlocomotief op het filmdoek daadwerkelijk op hen in reed. Dat verhaal schijnt overdreven te zijn. Aan de andere kant, ik dook ook weg bij mijn eerste bioscoopervaring: Disney’s Sneeuwwitje. Ik was zeven. De boze stiefmoeder keek de zaal in. O gruwel, ze keek naar mij. Wegwezen! „Is niet echt”, fluisterde mijn moeder. Ik geloofde haar, doorstond de schrik en ervoer als beloning de kick van mijn leven: film! Mijn volgende film was een drama over Robert Scotts expeditie naar de Zuidpool. Veel enger, met open wonden en stervende mannen. Soms keek ik even niet. Maar vluchten? Nooit meer. „Is niet echt.”

In het Amsterdamse filmmuseum EYE bezoek ik Jean Desmets droomfabriek, een dot van een tentoonstelling over een van de mooiste zwijgende-filmcollecties ter wereld. In een schemerig landschap met grote en kleinere schermen zie ik hoe vrijgevochten de film toen kon zijn. En ik zie hoe tussen 1907 en 1916 al werd ontdekt wat film vermag. Alles. Van een wandelend servet tot het voorbij bliksemen van de tijd. Van diva’s tot dijenkletsers. Ik kan me veel voorstellen bij de reacties van het publiek van toen, ook verontwaardiging. Ook in die dagen werd men kwaad, vond men dat bepaalde kunst niet mocht bestaan. Men schimpte, schopte, klaagde aan. Al die woede is verwaaid. De tegenstanders zijn tot stof weergekeerd. De kunst overleeft, wordt gezien en doet ons iets.

Bij de Nationale Opera versmelt ik met Il viaggio a Reims (1825) van Rossini. Ik houd van hem, zijn aria’s klinken als bellenblazen. Het verhaal lijkt op de mop van de jongens die naar Parijs gingen (ze gingen niet), maar dan met Reims, waar Charles X wordt gekroond. Maar dit is 2015 en we zijn in een museum, onder commando van een evenbeeld van Vogues beruchte bazin Anna Wintour, aangezien de macht van de mode het libretto domineert. De kunst komt in actie. Figuren van Magritte, Picasso, Keith Haring, Goya, komen in actie. Ze stappen uit hun lijsten en wrijven de mensen, die „grote kooi vol gekken”, het belang van de liefde in. Ja, mama, dit is wél echt.