Terugkeer van de Poolse Joden

Hoewel Polen bekend staat als antisemitisch, heeft er een opmerkelijke Joodse renaissance plaats. Kfir Katz, uit Israël geëmigreerd naar Krakau, op nog geen uur rijden van Auschwitz: „Ik voelde me hier direct verbonden met de mensen, dat gaat heel diep.”

Door Pieter van Os en Roeland Termote

Jongeren van het Jewish Community Center in Krakau voeren in het huis van een van hen de ceremonie uit die het einde van de sabbat markeert.
Jongeren van het Jewish Community Center in Krakau voeren in het huis van een van hen de ceremonie uit die het einde van de sabbat markeert. Foto Miriam Alster/ Hollandse Hoogte

Op nog geen uur rijden van de resten van het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau schalt Jiddische muziek over een pleintje. Het komt uit de boxen van een restaurant waar kosjer eten op het menu staat. Net als in het restaurant ernaast. En daarnaast.

Er is geen herdenking aan de gang, dit is dagelijkse praktijk in Kazimierz. In de wijk woonden voor de oorlog de Joden van Krakau. Na de holocaust zakte Kazimierz weg in verloedering en criminaliteit, maar sinds een paar jaar is de wijk in trek bij goed verdienende dertigers en, opnieuw, Poolse Joden. Naast restaurants, herbergen de kleine panden een bar, galerie, lijstenmaker, traiteur, een sjieke bakker, een souvenirwinkel. De uitbaters mikken op trendy Polen en op toeristen, vooral uit Amerika en Israël. In gebroken Engels meldt een menukaart dat Steven Spielberg te gast is geweest. Overal staan bordjes die wijzen naar de fabriek die Oskar Schindler hier in de oorlog runde.

De wijk Kazimierz, die de naam dankt aan een koning die in de veertiende eeuw wetten invoerde om Joden te beschermen, heeft iets van de Amsterdamse Jordaan, met het grote verschil dat hier synagogen staan, de een nog fraaier opgeknapt dan de ander. Sommige zijn ingericht als museum, anderen zijn weer in gebruik.

Sinds zeven jaar is in de wijk ook een ‘Jewish Community Center’ (JCC) gevestigd, de naam in het Engels. Bij de ingang van het centrum hangt een poster met kiekjes vol lachende mensen. Erboven de tekst: „What are jews doing in Krakow?” – wat doen Joden in Krakau? Antwoord: „Having a great time”.

Het centrum telt inmiddels 500 leden, onder wie tientallen holocaustoverlevers van in de tachtig en zelfs negentig. Verder opvallend veel jongeren. Directeur is de welbespraakte Jonathan Ornstein, een immigrant uit New York: „Joodse toeristen komen naar Krakau en verwachten de dood, in een land dat voor hen in essentie één grote begraafplaats is. Ze vinden het tegenovergestelde: een groeiende, levendige gemeenschap in een stad waar maar weinig antisemitisme is, zeker vergeleken met andere Europese steden.”

Een wonder

Polen is vandaag zonder meer het beste land van de Europese Unie om in te wonen als Jood, vindt Ornstein. „Dat is misschien contra-intuïtief, maar waar.” Het is contra-intuïtief omdat Polen, dat in de late middeleeuwen wel „een Joods paradijs” werd genoemd, in de twintigste eeuw veranderde in een antisemitische hel. Van de 3,3 miljoen Poolse Joden uit 1939 vermoordde de Duitse bezetter er drie miljoen. In pogroms in de maanden direct na het vertrek van de Duitsers, verloren meer dan 1.000 Holocaustoverlevers alsnog het leven. Vermoord door Polen. De nieuwe communistische machthebbers – onder wie relatief veel Joden – stopten het geweld, maar waren ook vastbesloten het land ‘homogeen’ te maken, etnisch en cultureel. Dat betekende: geen zichtbare Joodse aanwezigheid meer.

In de eerste naoorlogse maanden verlieten tienduizenden Joden het land. Eind jaren zestig volgden nog eens tienduizenden, opgejaagd in een antisemitische hetze. Die had het regime geïnstigeerd in reactie op enkele studentenprotesten.

Het betekende het einde van een noemenswaardige Joodse aanwezigheid in Polen. Dit terwijl Polen ooit voor een derde Joods was. En in de achttiende eeuw leefde tachtig procent van alle Joden wereldwijd op Poolse bodem.

In 1989 bevestigde toenmalig premier van Israël Yitzhak Shamir de naoorlogse reputatie van Polen, het land dat hij zelf in de jaren dertig had verlaten. De Polen, zei Shamir: „zuigen het antisemitisme met de moedermelk naar binnen”.

Niet voor niets noemt rabbijn Haim Dov Beliak de „Joodse wedergeboorte in Polen” een „wonder”. Hij kwam uit Jeruzalem om het Joodse leven nieuw leven in te blazen en verhaalt via de website PolishJewsReviving bijna wekelijks van zijn successen. Er zijn talloze soortgelijke websites, onderhouden door rabbijnen, van uiterst progressieve tot strikt orthodoxe.

Het wonder is zichtbaar in verschillende geledingen van de samenleving. In de cultuur: het Joodse festival van Krakau is binnen enkele jaren uitgegroeid tot het grootste in Europa. In de wetenschap: nagenoeg alle grote Poolse universiteiten bieden vandaag de dag Joodse studies aan en bij colleges Hebreeuws zitten de studenten tot op de gang, zo groot is de belangstelling. Religieus: de ene na de andere synagoge opent of heropent de deuren, meestal met een rabbijn uit de VS.

Joodse wortels

In zijn piepkleine kantoortje achter de Nozyk-synagoge, in het hart van Warschau, vertelt de belangrijkste rabbijn van het land, Michael Schudrich, dat de wedergeboorte vooral te danken is aan Polen die hun joodse wortels ontdekken. Schudrich is een kleine energieke man met een stevig, zwart baardje die in 1991 vanuit New York naar Polen emigreerde. Hij kan zich nauwelijks bewegen tussen stapels boeken en rondslingerende aantekeningen, geschreven in het Engels, Hebreeuws en Pools. „Dan komen ze naar ons en zeggen: we blijken Jood en daar willen we wat mee.”

Zo kwam iemand bij hem die zijn stervende vader plots in het Jiddisch hoorde zingen. Anderen vonden een doos op zolder met foto’s van mannen met lange baarden. Weer anderen wisten wel dat ze Joods waren, maar deden er nooit iets aan. Dat wilden ze veranderen, maar hoe? Schudrich: „Er zijn ook minder mooie verhalen, voor mij als Jood althans.” Hij vertelt over een paar kleinkinderen die bij hem kwamen. Hun grootmoeder had van de dokter gehoord dat ze ongeneeslijk ziek was, waarna ze hun vertelde dat ze Joods was. En zij dus ook. Maar toen de chemokuur aansloeg, bedacht ze zich. „Ik zei maar wat”, vertelde ze haar familie. Schudrich: „Met andere woorden: ze wilde wel Jood zijn in de dood, maar niet bij leven.”

Bij een volkstelling in 2002 gaven 1.133 Poolse burgers als eerste identiteit op: Joods. In 2011 waren dat er bijna zeven keer zoveel: 7.508. Bij de volgende telling zal het aantal opnieuw „aanzienlijk hoger” liggen, denkt Schudrich. „Veel Poolse Joden zien zichzelf niet in eerste instantie als Jood; dat maakt deze cijfers minder bruikbaar. Toch zullen het er nu misschien al 30.000 zijn die dat wel doen.” Een veelvoud daarvan zou zich naar de joodse wet Joods mogen noemen. Hoeveel precies? Schudrich: „Moeilijk te zeggen. Direct na de oorlog waren er nog 300.000, aanzienlijk meer dan er in Nederland ooit waren. Er zijn er veel vertrokken, maar geen 270.000.”

De stijgende aantallen hebben volgens Schudrich „alles met democratie” te maken. „En met veiligheid in de brede zin van het woord. De essentiële vraag is of mensen zich zeker genoeg voelen om te zeggen: ik ben een Jood.” Het is een kwestie van tijd, denkt Schudrich. „Het begon met antisemitische incidenten, toen de Duitse massamoord, daarna de door het communistische regime afgedwongen stilte, gevolgd door een haatcampagne in de jaren zestig. Deze mensen hebben een samengesteld trauma. Dat gaat niet weg in tien, twintig of zelfs dertig jaar.”

Voor de jongere generatie is het anders, bevestigt Pawel Kwasniewski. De geassimileerde, Joodse ouders van deze gezette vijftiger met stoppelbaard overleefden de oorlog in de kelder van een molen in een dorpje ten noorden van Warschau. Bevriende katholieken hielden hen verborgen voor Duitsers en Poolse verklikkers.

Kwasniewski, een performance-kunstenaar die sinds de val van de muur zijn geld verdient als tv-producent, groeide op als seculiere Pool. „Er was niets joods aan mijn leven, en weinig aan dat van mijn ouders.” Ergens in de jaren negentig is dat veranderd. „Mijn kinderen gaan naar joodse scholen, joodse festivals en joodse kinderkampen. Zelf werd ik bar mitswa op mijn vijftigste.” Hij toont foto’s van het feest op zijn telefoon. „Ik volg geen religieuze geboden, ik geloof zelfs niet, maar ik bewonder wel de energieke rabbijn Shalom Stambler, die hier in Warschau een levendige tak van de chassidische beweging Chabad Lubawitz leidt. Mij probeert hij niet meer op het rechte pad te brengen, maar hij nodigt me wel uit voor bijeenkomsten en vraagt dan altijd: neem je slapers mee? Zo noemt hij Polen met een joodse moeder die niets aan hun joods-zijn doen. Hij wil ze allemaal hebben.”

Hebreeuws

Sommige ex-slapers roeren zich nadrukkelijk in het publieke debat. Zoals Katka Reszke. Toen ze had ontdekt dat ze Joods is, ging ze zich toeleggen op de studie van het Hebreeuws, Jiddisch en joodse geschiedenis. Ze vertrok naar Israël, vestigde zich daarna in New York en vergaarde bekendheid in Polen met het boek The Return of the Jew, over de herleving van de joodse wereld in Polen.

Een ander, Slawomir Grunberg, maakte na de ontdekking van zijn joodse wortels de prijswinnende documentaire De Peretzniks. De film vertelt het verhaal van een joodse school in zijn geboortestad Lodz. Alle lessen werden er in het Jiddisch gegeven, inclusief Poolse literatuur. Maar na de uitdrijving van Joden in 1968, kon de school niets anders dan de deuren sluiten.

De herleving van het Poolse jodendom heeft nog een gevolg: Israëli’s die emigreren naar Polen. Of remigreren. Sommigen bagatelliseren het aantal, zoals Michael Schudrich. Anderen, als Pawel Kwasniewski, vinden één Israëlische immigrant in Polen al „heel veel”, gezien de slechte reputatie van het land in Israël. „Maar dat verandert langzaam maar zeker”, zegt de dertiger Kfir Katz, een Israëli die zich driejaar geleden vestigde in Kazimierz.

Zijn grootmoeder verliet Polen in de jaren dertig. Na een pogrom waarbij haar ouderlijk huis in vlammen opging, werd ze gered door een zionistische organisatie. Katz: „Zij lijdt aan de ziekte van Alzheimer en beseft niet dat ik in Polen woon, maar mijn moeder vindt het vreselijk. Zij zegt: de hele wereld ligt voor je en jij gaat uitgerekend naar Polen. Zij heeft altijd de meest gruwelijke verhalen gehoord van mijn grootmoeder. Ik heb daar ook wel iets van gezien: zo is oma altijd bang gebleven voor honden, omdat een katholieke Poolse jongen er een op haar had afgestuurd.”

En toch. Toen Katz voor het eerst in Polen was, was hij overdonderd door „een gevoel van verbondenheid” met de Polen, hun cultuur en samenleving. „Alsof zij een lang verzwegen deel van mezelf in zich dragen.”

In het hippe café in Kazimierz waar Katz het verhaal van zijn immigratie vertelt, zegt hij een paar keer dat hij Israël niet heeft verlaten uit onvrede met zijn vaderland. „Ik ben een patriot, ik houd van mijn land. Toch heb ik ook hier eens sterk gevoel van thuis zijn. Joden waren hier duizend jaar lang. Je kunt dan moeilijk volhouden dat we hier tijdelijk waren, wat gek genoeg wel de gedachte is in Israël.”

Fantoompijn

Poolse Joden wijzen er steevast op dat de joodse revival ondenkbaar was geweest zonder de openheid en belangstelling van niet-Joden. „Neem de vrijwilligers van het Jewish Community Center”, zegt Katz. Zij blijken allemaal niet-Joods. Tijdens een avond in december waarop de leden Chanoeka vieren met hun Engels pratende rabbijn, blijven zij op de gang staan, in felgekleurde, voorbedrukte T-shirts. In hun handen grote schalen met hapjes.

Eén van hen, Anna Gulinska, komt uit Tarnow, een stad waarvan de bevolking voor de oorlog voor 40 procent uit Joden bestond. Ze raakte geïnteresseerd in hun „onzichtbare aanwezigheid”. Net als zoveel andere Polen, vindt ze het vreemd – en verkeerd – dat ze in haar jeugd zelden tot nooit over Joden hoorde. Op een middelbare-schoolreisje naar Auschwitz werd vooral verteld over de niet-joodse Polen die in het kamp zijn vermoord. Inmiddels heeft ze een diploma in joodse studies behaald aan de universiteit van Krakau en spreekt ze Jiddisch en Hebreeuws. Ze wijst erop dat het joodse culturele festival in Krakau is begonnen door een niet-Joodse Pool. En: „95 procent van de studenten bij de colleges Hebreeuws zijn niet Joods.”

Mensen als Anna, zegt de Israëlische immigrant Katz, zijn „gefascineerd door het gat dat de holocaust in de Poolse geschiedenis heeft geslagen”. Ornstein spreekt over „fantoompijn”. En Kwasniewski zegt: „Aan de niet-joodse kant bestaat een groot verlangen om de joodse historie te omhelzen als óók Poolse geschiedenis.”

Dat verlangen lijkt ook te leven bij de autoriteiten. Opeenvolgende Poolse regeringen, van links tot rechts, hebben meegewerkt aan de oprichting van een groot museum, Polin. Het ging afgelopen najaar officieel open en vertelt de geschiedenis van joods Polen. Het markante gebouw waarin het museum huist, is ontworpen door de Finse architect Rainer Mahlamäki. Het staat midden in het voormalige getto van Warschau. De Poolse overheid gaf er bijna 90 miljoen euro aan uit.

Ook heeft de Joodse gemeenschap onroerend goed teruggekregen, van voor de oorlog. Er kwam hulp voor restauratie van synagogen en, symbolisch misschien wel het belangrijkste, president Kwasniewski (geen familie van Pawel Kwasniewski) draaide tien jaar geleden de wet uit de jaren zestig terug die de (gedwongen) naar Israël geëmigreerde Polen hun nationaliteit afnam. Pawel Kwasniewski: „Cruciaal was dat de regering zei: je hoeft niets aan te vragen. Als je kunt laten zien dat je ouders of grootouders uit Polen kwamen, heb je de Poolse nationaliteit al. Je hoeft alleen maar je paspoort af te halen.”

Maar ondanks alle huidige jubel, is duidelijk dat het antisemitisme niet uit Polen is verdwenen. Dat bevestigt recent onderzoek van het ‘Onderzoekscentrum voor Vooroordelen’, onderdeel van de Universiteit van Warschau. Maar liefst 13 procent van de Polen denkt nog altijd dat Joden christelijk bloed nodig hebben voor hun rituelen – een evergreen uit het Poolse antisemitisme. Een veel grotere groep gelooft in het bestaan van een joodse samenzwering om het internationale bankwezen en de media te beheersen.

In mei 2006 ondervond Michael Schudrich het antisemitisme aan den lijve. Een 33-jarige neonazi molesteerde hem, midden op straat. Hij sloeg de rabbijn en spoot hem pepperspray in het gezicht. Het is geen favoriet onderwerp van Schudrich, die liever praat over de groeiende belangstelling die niet-Joodse Polen aan de dag leggen voor het jodendom.

Kfir Katz zegt: „De media springen op dit soort incidenten, waardoor die een vertekend beeld geven.”

Pawel Kwasniewski: „Er is echt iets wezenlijks aan de gang, een verandering. Ten goede.”

Ornstein: „Het begon met toeristen. Daarna kwam het opknappen van synagogen en nu is er sprake van een joodse herleving, van en door Joden. Als je op een vrijdagavond naar een synagoge wilt, heb je verschillende opties.” Katz: „En dan kun je zonder bewaking over straat. Kom daar maar eens om in Frankrijk.”