Richt het op toegang tot onderwijs

illustraties cyprian koscielnak

Tussen 1973 en 1986 probeerden vier ministers en staatssecretarissen van Onderwijs studiefinanciering in te voeren gericht op zwakkere groepen. Vier maal werden hun plannen geblokkeerd door de ministeries van Sociale Zaken en Financiën. Zij vonden de plannen te duur en de inkomenseffecten te groot.

Een nieuw stelsel moest dezelfde omvang en inkomenseffecten houden als de oude kinderbijslag. Na jaren strijd moest minister Deetman in 1986 een basisbeurs accepteren, in vorm en omvang bijna gelijk aan de denivellerende kinderbijslag. De studenten kregen nu de steun die voorheen naar hun ouders ging; verder veranderde weinig. Met moeite kon Deetman daar nog een bescheiden aanvullende beurs aan toevoegen.

Nog steeds bepaalt die oplossing de studiefinanciering die vooral door hogere inkomensgroepen wordt gebruikt. CDA en VVD verhinderden dat bezuinigingen ten koste gingen van hoge inkomensgroepen. Dat is herkenbaar in de prestatiebeurs, waarbij een lening pas een beurs wordt na tijdig afstuderen. Wel bezuinigen, niet nivelleren. De PvdA wilde nivelleren zodat „de slager op de hoek” niet betaalt voor „de studie van een advocaat”. De politieke strijd om het studievoorschot draaide weer om inkomens – van ouders.

Dit alles leidt tot een starre studiefinanciering. Laten we de studiefinanciering alleen gebruiken voor de toegankelijkheid van het onderwijs. Vervelende gevolgen voor inkomens, kunnen worden opgevangen met de daartoe bestemde instrumenten, zoals belastingen en lonen. Misschien dient de studiefinanciering dan eindelijk voor het onderwijsbeleid.

promoveerde deze week in Leiden op studiefinanciering.