Opinie

Politici: (wan)prestaties zijn belangrijker dan de persoon

De ombudsman

Hoe portretteer je een politicus? Als persoonlijkheid, als acteur, of als actor? Dat onderscheid is nog niet zo simpel. nrc. next bracht maandag een vraaggesprek met het aanstormende politieke talent Tim Snel, fractielid van de VPN in de Tweede Kamer. Hij was niet bang voor kritiek, zei hij. (‘Ik ben niet bang voor kritiek’, 19 januari 2015).

Geen wonder – want Tim Snel bestaat niet. Nou ja, hij is (zoals een noot bij het stuk meldde) te zien in de dramaserie De Fractie, wekelijks uitgezonden op NPO2. Geintje van de krant die soms brutaal naar het nieuws wil knipogen.

Op de redactie liepen de meningen over dat geintje uiteen: leuk, niet leuk, leuk bedacht maar niet leuk genoeg.

Het punt is, vond de chef Haagse redactie René Moerland die ik erover sprak, dat de stunt eens temeer duidelijk maakt hoezeer politici worden gezien als acteurs, en zich daar ook voor lenen (in De Fractie lopen ook echte politici en journalisten rond). Moet de krant dat doen? Als dit interview opduikt in De Fractie („Heb je nrc.next gelezen?”), is de verwarring van feit en fictie compleet.

Terwijl, zegt Moerland, politici dan wel acteurs zijn – sommigen zelfs heel graag – maar toch in de eerste plaats actoren. Het gaat om hun politieke handelen, dat consequenties heeft voor het dagelijks leven van burgers, als het siervuurwerk van het vragenuurtje allang weer is uitgedoofd. En NRC Handelsblad, zou ik zeggen, moet hen (als ze echt bestaan, tenminste) ook in de eerste plaats op hun politieke handelen beoordelen.

Ik zocht Moerland op, naar aanleiding van het opvallende, pijnlijke portret dat de krant zaterdag bracht van PvdA-senator Marleen Barth (Een politica die sterke emoties oproept, 17 januari). Barth werd over twee pagina’s gefileerd door talrijke bronnen die met haar hadden gewerkt en het oordeel was niet mals.

Sommigen hebben ronduit „een hekel aan haar”, men vindt haar „venijnig, oncollegiaal en overambitieus”, maar ook „hard en soms onaangenaam”, of „heel onaangenaam” en „een enorme bluffer” die anderen de mond probeert te snoeren. Ruzie is „een terugkerend thema” in haar loopbaan, en er kwam „bijna niemand op haar afscheidsreceptie” (aldus een – de enige? – aanwezige).

Anderen prezen juist haar „werklust”, ze is „onvermoeibaar, hyperambitieus” , „energiek en politiek behendig naar buiten toe”, een „vasthoudende voorzitter” die „tot tranen toe” kwaad kan zijn over „onrecht” en die een „enorme passie” heeft voor de publieke zaak. De laatste typering kwam overigens van het slachtoffer zelf.

Ik geloof het zonder meer: de auteurs gingen niet over een nacht ijs; ze spraken met tientallen bronnen, vrijwel allemaal on the record. Barth zelf spraken ze twee keer, de politica kreeg het stuk te lezen en had gelegenheid te reageren.

Maar: het stuk (2.209 woorden) was alles bij elkaar meer een portret van de persoon dan van de politica. Het stuk gaf wel een beeld van haar stijl – en dat bood dan weer inzicht in het verwerpen van de Zorgwet door dissidenten in haar fractie. Onthullend vond ik het slot, waar Barths problemen aan bod kwamen met een fractie die onverwachts een heel andere politieke houding moest aannemen. Van oppositie naar steun aan het kabinet.

Op die vraag, hoe effectief Barth was in het leiding geven aan haar fractie, gaf het stuk dus wel antwoord.

Alleen, de persoonlijke kwalificaties waren zo dominant, verspreid over elke fase van haar loopbaan, dat je gaandeweg last kreeg van medelijden – of juist van leedvermaak. Een lezeres verkneukelde zich zo op Twitter: „Episch profiel van Marleen Barth. Zit gewoon hardop te lachen om die chick.” Een ander: „Geen fan van deze mevrouw en haar partij, maar wat een lullig portret.”

Temeer omdat Barths eigen stem of opvattingen maar zwakjes doorklonken in haar profiel. Niet dat ze meer over zichzelf had moeten zeggen, maar van een politicus zijn nu net openbare bronnen te vinden – stemgedrag, toespraken, artikelen, bijdragen aan debatten – die je ook zou willen lezen. Hoeft niet meteen het kaliber I Have A Dream te zijn. Achteraf, zegt René Moerland, had er meer bij gekund over haar bijdrages in de Eerste (en Tweede) Kamer. „Maar dan nog kijken we in de eerste plaats naar haar handelen, in dit geval als voorzitter van de PvdA-fractie in de senaat.”

Van een politiek portret verwacht je, als buitenstaander, inzicht in de drijfveren en opvattingen van betrokkene, een schets van zijn of haar opereren en werkwijze, en inderdaad vooral: een feitelijke balans van successen en mislukkingen. Want epische chick of keiharde bitch, brutale beul of mooiprater, het gaat om politieke daden en resultaten.

In meer politieke portretten die ik de afgelopen tijd in de krant las, drongen de subjectieve oordelen zich nadrukkelijk op. Ze is een „typische apparatsjik”, en „toch” krijgt ze niet altijd slechte recensies (Sharon Dijksma, Economische Zaken); hij voert „nukkig” oppositie, maar „toch” telt het CDA weer mee (Sybrand Buma); ze is „de ultieme partijapparatsjik”, maar „toch” wordt ze best gewaardeerd (Mariëtte Hamer).

Dat zegt natuurlijk ook iets over de Haagse politiek, waar personalisering bijna een vereiste is geworden. En het hoort bij dit genre: een journalistiek portret wordt mede opgebouwd uit observaties, herinneringen en anekdotes van anderen. De regel bij profielen was ooit zelfs dat er uitdrukkelijk niet met de geportretteerde zelf werd gesproken.

Toch een algemene kanttekening. Ondermijnt die neiging naar het persoonlijke op den duur niet de instituties, die toch al flink onder druk staan? Gelukkig schrijft de krant daar ook veel over.

Bovendien, het kan verkeren. Zie, om bij de PvdA te blijven, het ophemelen van en vervolgens smalen over Job Cohen. Of Wim Kok, sceptisch onthaald als opvolger van Den Uyl en later ineens de grote man van het poldermodel – en nog weer later de ‘Wim die Pim baarde’.

Kortom, wie weet kan Marleen Barth ook nog eens keihard terugkomen – al is het maar in De Fractie.

Reacties: ombudsman@nrc.nl