Overal is goed

Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een voorpublicatie uit Het boek van wonderlijke nieuwe dingen van Michel Faber.

‘Nog één keertje,’ zei ze nu, boven het geluid van de motor uit op een donkere snelweg onderweg naar het vliegtuig dat hem mee zou voeren naar Amerika en verder.

Hij raadpleegde de digitale klok op het dashboard. Over twee uur moest hij bij de incheckbalie zijn en ze zaten nu zo’n vijftien tot twintig minuten van het vliegveld.

‘Je bent geweldig,’ zei hij. Als hij de woorden precies op de goede manier zei, zou ze misschien snappen dat ze niet moesten proberen gisteren nog te overtreffen en dat ze het daar gewoon bij moesten laten.

‘Ik wil niet geweldig zijn,’ gaf ze terug. ‘Ik wil jou in me voelen.’ Hij reed een paar tellen zwijgend door, zich snel aanpassend aan de omstandigheden. Het vermogen zich snel aan te passen aan veranderde omstandigheden was nog iets wat ze gemeen hadden.

‘In de buurt van het vliegveld heb je een heleboel van die gruwelijke ketenhotels,’ zei hij. ‘We zouden daar voor een uurtje een kamer kunnen huren.’ Hij had meteen spijt van het woord ‘gruwelijk’. Dat klonk alsof hij haar van het idee af wilde brengen terwijl hij net deed of dat niet zo was. Hij had alleen maar willen zeggen dat zij dit soort hotels als het even kon altijd meden.

‘Zoek gewoon een stil plekje,’ zei ze. ‘We kunnen het in de auto doen.’

‘Jeetje, crisis!’ zei hij, waarop ze allebei in lachen uitbarstten. ‘Jeetje, crisis’ was wat hij, toen hij christen was geworden, zichzelf had aangeleerd te roepen in plaats van ‘Jezus Christus’. De woorden hadden genoeg klankverwantschap om hem in staat te stellen een vloek nog tijdig om te buigen wanneer die zijn mond al half verlaten had.

‘Ik meen het,’ zei ze. ‘Overal is goed. Zet de auto alleen niet ergens neer waar iemand ons van achteren kan aanrijden.’

De snelweg kwam hem, terwijl ze doorreden, nu anders voor. In theorie was het nog steeds dezelfde brede asfaltweg, met links en rechts dezelfde verkeersparafernalia en fragiele metalen vangrails, maar door hun eigen opzet was hij veranderd. Hij vormde niet langer een rechte lijn naar een vliegveld, maar was een geheimzinnig achterland geworden vol duistere omwegen en schuilplekken. Ofwel het zoveelste bewijs dat de werkelijkheid geen objectief gegeven is, maar telkens weer door je eigen kijk moet worden gevormd en gedefinieerd.

Natuurlijk had ieder mens op aarde het vermogen om de werkelijkheid opnieuw vorm te geven. Dat was een van de dingen waar Peter en Beatrice het samen vaak over hadden. De uitdaging om mensen te laten inzien dat het leven alleen maar zo hard en vol beperkingen was als je zelf verkoos te zien. De uitdaging om mensen te laten inzien dat de onwrikbare feiten van het bestaan uiteindelijk helemaal niet zo onwrikbaar waren. De uitdaging om een eenvoudiger woord voor ‘onwrikbaar’ te vinden dan ‘onwrikbaar’.

‘Wat dacht je van hier?’

Beatrice gaf geen antwoord, maar legde alleen maar een hand op zijn bovenbeen. Hij stuurde de auto soepeltjes een parkeerhaven voor vrachtwagens op. Ze moesten er maar op vertrouwen dat geplet worden door een truck van veertig ton niet was opgenomen in de goddelijke voorzienigheid.

‘Ik heb dit nog nooit eerder gedaan,’ zei hij nadat hij de motor had uitgezet.

‘Dacht je ik wel dan?’ zei ze. ‘We redden ons wel. Laten we sowieso de achterbank nemen.’

Ze zwaaiden hun respectieve portieren open en waren luttele seconden later herenigd op de achterbank. Ze gingen als passagiers zitten, schouder tegen schouder. De bekleding rook naar andere mensen: vrienden, buren, kerkgenoten, lifters. Het bracht Peter alleen maar meer aan het twijfelen of hij hier nu wel echt de liefde kon of moest bedrijven. Alhoewel... het had ook iets spannends. Ze strekten hun armen naar elkaar uit, met als doel een soepele omhelzing, maar hun handen tastten in het donker onhandig rond.

‘Hoe snel zou het binnenlampje de accu uitputten?’ vroeg ze.

‘Geen idee,’ zei hij. ‘Dat kunnen we beter niet riskeren. Het zou dan bovendien een openbare voorstelling worden voor al het langsrijdende verkeer.’

‘Dat betwijfel ik,’ zei ze, terwijl ze haar gezicht naar de langsflitsende koplampen keerde. ‘Ik heb ooit een artikel gelezen over een meisje dat werd ontvoerd. Ze slaagde erin uit de auto te springen toen die snelheid minderde op de grote weg. De ontvoerder greep haar, ze verzette zich hevig en schreeuwde om hulp. Er kwam een hele stroom auto’s langs. Niemand stopte. Later werd een van die automobilisten geïnterviewd en hij zei: “Ik reed zo snel dat ik mijn ogen gewoon niet geloofde.”’

Hij schoof ongemakkelijk heen en weer. ‘Wat een afschuwelijk verhaal. En misschien is dit ook niet zo’n gelukkig moment om het te vertellen.’

‘Weet ik, weet ik, het spijt me. Ik ben een tikkeltje… ontoerekeningsvatbaar op het moment.’ Ze lachte nerveus. ‘Het is gewoon heel moeilijk… dat ik jou straks kwijt ben.’

‘Je bent me niet kwijt. Ik ga alleen maar een poosje weg. Ik kom…’

‘Peter, alsjeblieft. Niet nu. Dat hebben we allemaal al doorgenomen. We hebben het zo goed doorgenomen als we konden.’

Ze leunde naar voren en hij dacht dat ze zou gaan huilen. Maar ze viste iets uit de ruimte tussen de twee stoelen voorin. Een kleine zaklantaarn. Ze knipte hem aan en legde hem voorzichtig op de hoofdsteun van de passagiersstoel. Hij viel eraf. Toen klemde ze hem in de spleet tussen de stoel en het portier, zo gericht dat de lichtbundel op de vloer van de auto scheen.

‘Lekker stemmig,’ zei ze. Ze had haar stem weer onder controle, ‘Precies genoeg licht om elkaar een beetje te kunnen zien.’

‘Ik weet niet of ik dit wel kan,’ zei hij.

‘We proberen het gewoon,’ zei ze en begon haar blouse open te knopen, waardoor haar witte beha en de welving van haar boezem zichtbaar werden. Ze liet de blouse langs haar armen omlaag glijden, en schudde met haar schouders en ellebogen om de zijden stof van haar polsen af te krijgen. Ze haakte haar sterke duimen achter haar rok, slipje en kousen en trok die allemaal in één keer uit, in een vloeiende beweging die er makkelijk en elegant uitzag.

‘En nou jij.’

Hij gespte zijn broek los en zij hielp hem die uit te trekken.

Toen ging ze op haar rug liggen en wrong haar armen in allerlei bochten om haar beha af te doen, terwijl hij een andere houding probeerde te vinden zonder haar met zijn knieën te pletten. Hij stootte zijn hoofd tegen het dak.

‘We lijken wel een stel onhandige tieners,’ mopperde hij. ‘Dit is…’

Ze legde haar hand over zijn gezicht om hem de mond te snoeren.

‘Wij zijn jij en ik,’ zei ze. ‘Jij en ik. Man en vrouw. Alles is oké.’

Ze was nu naakt, op het horloge om haar slanke pols en de parelketting om haar hals na. Bij het licht van de zaklantaarn was de halsketting niet langer een stijlvol cadeau voor haar zoveelste huwelijksdag, maar een primitieve erotische versiering geworden. De kracht van haar hartslag deed haar borsten trillen.

‘Vooruit,’ zei ze. ‘Doe het.’

En dus begonnen ze. Ze lagen zo stijf tegen elkaar aan gedrukt dat ze elkaar niet meer konden zien, zodat de zaklamp geen enkele zin meer had. Hun monden klonken zich aaneen, hun ogen waren stijf dicht geklemd, hun lichamen hadden elk willekeurig lichaam kunnen zijn sinds de wereld was geschapen.