Klem in het midden, daar waar niemand is

V&D en PvdA hebben veel gemeen. Beide lijden onder de afkalvende macht van de middenklasse.

Het bedrijf zit in zwaar weer. De klanten lopen weg. Er is onzekerheid over de koers, het onderscheidend vermogen ontbreekt. Aan de top is het verloop groot. Ingrijpende maatregelen zijn nodig, anders dreigt een roemloos einde.

Dit gaat over warenhuisketen V&D, dat deze week een groot reddingsplan aankondigde. Maar vervang ‘bedrijf’ door ‘partij’ en ‘klanten’ door ‘kiezers’, en het zou net zo goed over de PvdA kunnen gaan. Er zijn opmerkelijk veel overeenkomsten tussen de warenhuisketen en de politieke partij. Beide zoeken al decennia naar de zin van hun bestaan. Beide zijn een dankbaar mikpunt van hoon. En hoewel beide herhaaldelijk dood zijn verklaard, bestaan ze nog steeds.

Catch all-organisaties, dat zijn PvdA en V&D. Ze willen er zijn voor de gehele samenleving: V&D met kleding, serviesgoed en elektronica voor de middengroepen, de PvdA met een programma van sociale rechtvaardigheid dat de elite moet verbinden met de lagere klassen. Maar allebei merken ze dat zo’n brugfunctie steeds lastiger begint te worden. Ze zitten klem: V&D tussen het hogere (Bijenkorf) en lagere (Action) segment in de retail, PvdA tussen links-liberale (D66) en klassiek-linkse (SP) partijen. Die hebben wat PvdA en V&D ontbeert: een herkenbaar profiel en een duidelijke doelgroep. Het midden is anno 2015 geen benijdenswaardige plek.

Met wie kun je beter over PvdA en V&D spreken dan met Arie van der Zwan? De econoom en publicist (79) is met allebei innig verbonden geweest. Van de PvdA is hij, met onderbreking, bijna vijftig jaar lid. Hij was één van de jonge honden van Nieuw Links, de vernieuwingsbeweging die de partij eind jaren zestig ideologischer en activistischer wilde maken. Nadien wijdde hij talloze publicaties aan de PvdA en de sociaal-democratie, waaronder de lijvige partijgeschiedenis Van Drees tot Bos (2008).

Bij V&D was Van der Zwan korter, maar niet minder intens betrokken: eind jaren 80 was hij tweede man van Vendex, de toenmalige moedermaatschappij. Hij probeerde het warenhuis uit het slop te halen maar vertrok na een kroonprinsendrama met de oude erflater Anton Dreesmann.

Extreem kostbaar

Ja, zegt Van der Zwan, de overeenkomsten tussen de twee zijn opmerkelijk. Als econoom benadert hij de kwestie in de eerste plaats economisch: V&D en PvdA zijn het slachtoffer van de afkalvende macht van de middenklasse.

Eerst V&D. Een warenhuis, doceert Van der Zwan, is een extreem kostbaar businessmodel. „Het is arbeidsintensief, er zijn hoge distributiekosten en je moet op de duurste locaties middenin de stad zitten.” Daarbij heeft V&D, anders dan bijvoorbeeld De Bijenkorf, altijd middle of the road willen zijn. Het richt zich op de middenklasse – precies die groep waarvan het besteedbaar inkomen al geruime tijd onder druk staat. „Zo’n warenhuis is alleen vol te houden bij lage lonen en koopkrachtgroei van de middengroepen. Dat is allebei niet het geval.”

Dan de PvdA. Die partij heeft altijd een brug willen slaan tussen de progressieve elite en de lageropgeleiden – de arbeidersklasse, zo u wilt. Maar door consequent de eigen idealen opzij te zetten voor regeringsdeelname, zegt Van der Zwan, zijn beide groepen weggelopen. „De leiding heeft het eigen belang – regeren – telkens zwaarder laten wegen dan het belang van de achterban. Voor een linkse partij als de PvdA is het funest als het eigen idealistische gehalte zo sterk onder druk komt.”

Zowel V&D als PvdA, zegt Van der Zwan, heeft op cruciale momenten verkeerde beslissingen genomen. Bij V&D was dat het afschieten van het ingrijpende reorganisatieplan dat hij, Van der Zwan, in 1988 had bedacht om het bedrijf uit de rode cijfers te halen. De ondernemingsraad was al akkoord toen de oude Dreesmann, net hersteld van een lange ziekte, de aanval opende op zijn beoogde opvolger. Het plan ging van tafel. „Of mijn reorganisatie de structurele problemen van V&D had opgelost, weet je natuurlijk nooit zeker. Maar het bedrijf had de toekomst dan wel in eigen hand kunnen houden”. Sinds eind jaren negentig is V&D in handen gekomen van steeds weer nieuwe investeringsmaatschappijen, die steeds weer nieuwe reorganisaties afkondigden.

Voor de PvdA was zo’n beslissend moment volgens Van der Zwan het eerste paarse kabinet in 1994. Wim Kok groeide in die coalitie met VVD en D66 weliswaar uit tot succesvol premier, en electoraal had de PvdA er aanvankelijk ook succes mee. Maar in feite, zegt Van der Zwan, heeft de PvdA zich toen „geschikt in een VVD-agenda” van liberalisering en marktwerking. „Voor een linkse partij was dat een funeste beslissing. De PvdA had zóveel geïnvesteerd in de opbouw van de publieke sector. Die werd nu op Amerikaanse wijze geremodelleerd.”

Tot zover de ‘strategische beslissingen’. Je hebt, zegt Van der Zwan, ook nog omstandigheden waar je geen invloed op hebt. In de detailhandel heeft V&D te maken met het zogenaamde wheel of retailing: eens in de zoveel tijd schuiven er nieuwkomers in de markt, die zorgen voor afkalving bij de gevestigde bedrijven. Daarna herhaalt het proces zich bij de nieuwkomers. Zo staat V&D op dit moment onder druk door webwinkels en prijsvechters als Action en Primark.

In de politiek zie je eigenlijk een vergelijkbaar proces, zegt Van der Zwan. Door de concessies die PvdA deed om mee te kunnen regeren, kon de SP zich ter linkerzijde nestelen – en ze zal daar niet gauw verdwijnen. The wheel of politics. Schrale troost: volgens Van der Zwan is de SP op eenzelfde punt beland als de PvdA. „Ook die partij wil nu meebesturen, dus schaaft ze de scherpe randjes van haar programma af. Zo kan er straks ter linkerzijde van de SP weer een nieuwe beweging ontstaan.”

Van der Zwan heeft zich vaak somber getoond over zowel de PvdA als V&D. Begin jaren negentig zei hij in deze krant dat V&D zich „in een betrekkelijk gevaarlijke positie” bevond. De PvdA was onder partijleider Wouter Bos „op een doodlopende weg” beland en had nog „een laatste kans” om niet politiek irrelevant te worden. Toch weerlegden beide instituties die voorspellingen: V&D kende midden jaren negentig een opleving, de PvdA beleefde drie jaar geleden onder Diederik Samsom een electorale wederopstanding. Is Van der Zwan niet overdreven pessimistisch?

Nee, zegt hij. V&D bestaat alleen nog omdat er telkens nog nieuwe investeerders zijn die de winkels „voor een schappelijke prijs” willen overnemen. „Feitelijk wordt er met V&D al decennia lang geen cent meer verdiend”. En de PvdA kent weliswaar een opleving bij iedere nieuwe leider (Kok, Bos, Samsom), maar „op de lange termijn is de trend omlaag”.

Schoolmarkt

Misschien nog veelzeggender dan winsten of verkiezingszeges, zegt Van der Zwan, is de maatschappelijke relevantie: zowel V&D als PvdA heeft niet meer de „kracht” van weleer. „V&D was in de jaren zestig innovatief. De ‘schoolmarkt’ is een uitvinding geweest van V&D: ieder najaar, als de scholen begonnen, ging iedereen naar het warenhuis voor schriften en multomappen”. De PvdA was in de jaren zeventig een bepalende factor in onderwijs, volkshuisvesting en de culturele wereld. „Ook al stemde niet iedereen in die sectoren PvdA, de invloed van de sociaal-democratie was er heel groot. Dat is teloorgegaan”.

Voor V&D en PvdA ziet Van der Zwan „geen oplossing”. Het ‘volkswarenhuis’ zal verdwijnen, denkt hij, en de PvdA zal structureel kleiner worden of opgaan in een fusiepartij. Of hem dat droevig stemt? „Het is jammer, maar zo gaan die processen”. Al gaat de crisis van de sociaal-democratie Van der Zwan meer aan het hart dan die in de detailhandel. „Politiek is toch belangrijker dan economische formules.”