Inheems Amerika bezweek voor de verleiding van wol, staal en kruit

Als de Franse cartograaf en ontdekkingsreiziger Samuel de Champlain in 1606 landt bij wat nu Cape Cod in Massachusetts is, ziet hij een dichtbevolkte streek, bezaaid met dorpen en maïsvelden. De Fransen drijven ruilhandel met de bevolking en vertrekken weer. Champlain vindt het gebied te vol voor succesvolle kolonisatie.

In 1620 werpt een Engels schip, de Mayflower, het anker uit bij dezelfde kaap. Aan boord zijn landverhuizers, afgescheidenen van de Anglicaanse kerk die een nieuw leven willen beginnen in Amerika. Het landschap is in veertien jaar ingrijpend veranderd. De Pelgrims zien verlaten dorpen en niet geoogste maïs die staat te rotten op de velden. Het eerste gevolg van de ontmoeting tussen inheemse Amerikanen en Europeanen zijn verwoestende epidemieën. 50 tot 90 procent van de gemeenschappen aan de oostkust sterft, in de meeste gevallen aan pokken.

Het verhaal over de kolonisering van Noord-Amerika is in grote lijnen bekend. Toch is het niet eerder zo helder opgeschreven als in dit nieuwe boek van de Amerikaanse historicus Roger W. Carpenter (University of Louisiana). Hij behandelt de eerste drie eeuwen (1492-1800) van contact tussen indiaanse volken en de Europeanen die het continent vanuit een omsingeling koloniseerden: Spanjaarden, Fransen, Engelsen, Zweden, Hollanders en Russen. Het boek eindigt met de uitroeping van een ‘nieuwe republiek’: de Verenigde Staten. Carpenters overzicht is even gedegen als leesbaar. Aan de hand van de jongste inzichten uit historisch, archeologisch en antropologisch onderzoek reconstrueert hij het waarschijnlijk meest dramatische proces van acculturatie uit de nieuwe geschiedenis.

Het is de nieuwkomers uit Europa aanvankelijk vooral te doen om handel in bevervellen en hertenhuiden. Die vraag, de rijke wildstand in de bossen van de Nieuwe Wereld en het aantrekkelijke aanbod van stalen messen, koperen kookgerei en wollen stoffen doen een heel nieuwe economie ontstaan: jacht voor de wereldmarkt. Mannen jagen vaker en langer, vrouwen besteden meer tijd aan het prepareren van huiden dan aan hun maïsvelden en de inheemse Amerikanen raken steeds afhankelijker van Europese goederen, waaronder musketten. Zij kunnen die niet zelf maken en zijn voor kruit en kogels, en voor herstel van kapotte vuurwapens, aangewezen op Europese handelaren en smeden.

In plaats van één lijn te trekken tegen de indringers betwisten Indiaanse volken elkaar de toegang tot Europese handelswaar. Als het wild in de eigen bossen schaars wordt, leidt dit tot migraties en agressieoorlogen tegen buurvolken. Intussen rukken de kolonisten op en dwingen ze steeds meer gemeenschappen tot gebiedsafstand. Om in de gunst te komen bij hun leveranciers, kiezen indiaanse volken partij in de onderlinge conflicten van de kolonisten.

De koloniale milities zijn zwak en gebruiken inheemsen als stoottroepen. De stammenfederatie der Irokezen, in het noorden van de huidige staat New York, blijft heel lang neutraal in de koloniale oorlogen die Fransen en Engelsen uitvechten in Noord-Amerika, en varen daar wel bij. Zodra ze laten doorschemeren dat zij neigen naar de tegenpartij, krijgen ze nieuwe toezeggingen dat zij met rust worden gelaten. Pas halverwege de 18de eeuw, als de Fransen aan de verliezende hand zijn, kiezen de Irokezen partij voor de Britten.

Ze blijven hen trouw als de Amerikaanse Revolutie uitbreekt. Zij verwachten namelijk (met recht, blijkt later) dat een Amerikaanse overwinning hen definitief hun grondgebied zal kosten. „De tijden zijn veranderd, en wij ook”, verzucht een Irokezenleider aan het begin van de Revolutie. Als de Britten het veld ruimen, volgen de meeste Irokezen hen naar Canada. Dirk Vlasblom