Opinie

Hoe nationale politici het nieuws bijkleuren

Iedereen had het deze week over quantative easing, een eufemisme voor het laten draaien van de geldpers. Spaanse en Franse kranten waren ervóór dat de Europese Centrale Bank nieuw geld zou scheppen, net als hun regeringen en centrale bankiers. De Duitse en Nederlandse pers waren overwegend sceptisch, en echoden daarmee precies de positie die hún centrale bankiers in de ECB-vergadering innamen.

Los van de vraag of ‘QE’ helpt of niet – als je een stapje terugdoet, zie je in één oogopslag waarom de eurozone een immens probleem heeft dat maar niet weggaat. Heel Europa heeft dat probleem trouwens. Dat probleem heet wantrouwen. Het is een politiek probleem van de bovenste plank. Het wordt erger en erger.

Het noorden heeft een eigen lezing van alles wat er mis is met de Europese economie: het komt door de zuiderlingen die op te grote voet hebben geleefd en nu niet genoeg willen hervormen. Als de ECB geld bij drukt en van alle eurolanden staatsobligaties opkoopt om de economie op gang te helpen, gaan de rentes op staatsleningen omlaag. „Fout!” roepen de noorderlingen, „Want als de zuidelijke zondaars goedkoop aan geld kunnen komen, lappen ze de hervormingen aan hun laars. Dus gaan ze onderuit, en daar moet het noorden voor betalen.”

Het zuiden geeft noorderlingen juist de schuld. Alleen Griekenland gaf te veel uit, zeggen zij. Maar Italië, Portugal of Ierland niet. Daar was het probleem juist dat noordelijke banken en pensioenfondsen veel geld hadden, dat ze goedkoop aan burgers en bouwprojecten in zuidelijke landen uitleenden. Toen de bankencrisis in 2008 het noorden trof, stopte die geldstroom abrupt. Zo ging het zuiden onderuit. De leningen die het vervolgens kreeg, dien(d)en grotendeels om noordelijke banken af te betalen.

Twee lezingen, dezelfde crisis. Helaas, dat is Europa. En het wordt er niet beter op. We hebben één euro en één interne markt. Maar daar maken vooral banken en bedrijven gebruik van. Als de autoriteiten hen waren gevolgd en óók Europees waren gaan werken – zoals banktoezichthouders – hadden ze deze crisis kunnen voorkomen. Maar die autoriteiten zijn nationaal gebleven. Alles is nationaal gebleven. Niet alleen het toezicht op Europese conglomeraten, die daardoor ongestoord deden wat ze wilden en vervolgens spectaculair van de rails vlogen. Maar ook de pers en de politiek.

Verkiezingen worden nationaal gehouden. Dus doen politici alles om nationale kiezers aan zich te binden. Aan een Sloveen of Fransman heeft Mark Rutte geen boodschap. Evenmin wordt Manuel Valls in Spanje of Oostenrijk gekozen. Het enige wat voor een VVD’er of voor iemand van de Franse PS telt, is dat hij zijn versie van Europese, complexe gebeurtenissen zo overtuigend mogelijk in eigen land verkoopt.

Gelukkig kan dat in Europa vrij makkelijk. Nederlanders hebben Nederlandse tv-kanalen, Grieken lezen Griekse kranten en sites. Vroeger hadden de media geld voor een groot correspondentennetwerk. Nu zitten zij krapper bij kas en focussen ze sterker op hun eigen land. Bij een groot deel van de Europese pers gaan de luiken langzaam dicht.

In Frankfurt zijn nauwelijks Europese correspondenten meer. Veel media krijgen hun informatie over QE (of wat dan ook) alleen nog in de nationale hoofdstad ingefluisterd, bij de nationale bank of van de nationale autoriteiten. Als een zekere heer Zijlstra dan roept dat QE fout is, schrikken veel Nederlanders zich dood. 1-0 voor de heer Zijlstra! Mompelt een Italiaan dat Duitsland asociaal is, dan zeggen veel Italianen: Ecco, zo is het.

Dit is een neerwaartse spiraal, gevoed door steriele, nationale clichés en emoties. Pas als je die bestrijdt, stop je de eurocrisis. Anders niet.