Het verhaal vertelt vaak meer dan cijfers

Veldwerk staat onder druk in de sociale wetenschappen. Enquêtes en experimenten zijn de trend. Maar daarmee leer je een gemeenschap niet echt van binnen kennen. „Schaamte is moeilijk te meten met een survey”, zegt antropoloog Joost Beuving.

Hij woonde lang in Afrika, niet als diplomaat of ontwikkelingswerker, maar als onderzoeker. Antropoloog Joost Beuving (43) dook anderhalf jaar onder in het wereldje van tweedehands autohandelaren in Cotonou, een havenstad in het West-Afrikaanse Benin. Daar probeerde hij de informele regels te doorgronden van deze ondoorzichtige handel, die hij analyseerde in zijn dissertatie. Later bracht hij een jaar door in een nederzetting aan het Victoriameer, waar jonge migranten hun geluk beproeven in de nijlbaarsvisserij, een snel groeiende branche.

Beuving ontdekte dat deze Afrikaanse ondernemers niet voldoen aan het in de economische wetenschap gangbare stereotype van de rationele beslisser, die kosten en baten tegen elkaar afweegt. Uitblijvend succes schrikt hen niet af; autohandelaren zijn er van overtuigd dat ze ooit een grote klapper zullen maken. Jonge Oegandezen zeggen dat ze in de nieuwe nederzettingen aan het Victoriameer een leven kunnen leiden dat onmogelijk is in hun dorp, waar ze zijn omgeven door veeleisende verwanten.

Geduldig veldwerk

Beuving kwam hier achter door geduldig veldwerk, een traditie in zijn vakgebied. Hij spreekt zelf van ‘naturalistisch onderzoek’, mensen bestuderen onder alledaagse omstandigheden en met gewone middelen: observeren, luisteren, gesprekken voeren. Dit ter onderscheiding van meer kunstmatige vormen van onderzoek, zoals surveys met gestandaardiseerde vragenlijsten en experimenten. Deze onderzoekstraditie staat onder druk. Voor langdurig veldwerk is nauwelijks geld meer en subsidieverschaffers hebben een voorkeur voor de snelle analyse van grote databestanden.

Aan de Vrije Universiteit en aan het University College Amsterdam gaf Beuving jaren les in methoden van naturalistisch onderzoek, samen met de historisch socioloog Geert de Vries. Op zeker moment besloten zij hun collegeaantekeningen uit te werken tot een handboek. Het wordt in februari gepresenteerd.

„Het liep een beetje uit de hand,” vertelt Beuving, achter een glas muntthee in een Utrechts café. „Het boek groeide uit tot een pleidooi voor naturalistisch onderzoek. Want we leven in een tijd waarin dat nodig is. Enerzijds is er de opmars van wat de Amerikaanse socioloog C. Wright Mills ‘abstracted empiricism’ noemde, studies waarmee wordt vastgesteld dat oude mensen met een klein sociaal netwerk eenzamer zijn dan oude mensen met een groot sociaal netwerk. Statistisch significant, jawel. De vakbladen staan er vol mee.

„Een ander gevaar is wat diezelfde Wright Mills ‘grand theory’ noemde, abstracte ideeën, losgezongen van de waarneembare werkelijkheid. Een hedendaags voorbeeld is het economistische mensbeeld, het idee van de mens als calculerend personage. Die zienswijze domineert nu ook in de sociale wetenschappen en wordt nauwelijks kritisch besproken. Maar naturalistisch onderzoek streeft naar empirisch gefundeerde theorievorming.”

De naturalistische onderzoeker bestudeert een samenleving op een manier die de dagelijkse gang van zaken zo min mogelijk verstoort. Bij ‘samenleving’ denken mensen al gauw aan een heel land, maar het kan ook gaan over een groep marktkooplui of autohandelaren.

Beuving: „Je probeert te weten te komen hoe zij hun leven organiseren door je te verdiepen in hun perspectief. Dat wat de Britse antropoloog

Malinowski tijdens veldwerk op de Trobriand-eilanden. Foto Wikipedia /Wellcome Library, London.

Bronislaw Malinowski (1884-1942), pionier van het naturalistische onderzoek, het native’s point of view noemde. Wat vinden ze van hun eigen situatie, van het soort problemen waar ze tegenaanlopen? Om die gemeenschap van binnenuit te begrijpen, trek je een tijd met hen op, kijk je wat ze doen, voer je gesprekken, ben je erbij als ze met elkaar praten of ruzie maken. Dat is de essentie van naturalistisch onderzoek en daarin wijkt het af van gestandaardiseerde vormen van onderzoek, waarin het verhaal van mensen in voorgevormde vakjes wordt gestopt, zodat zijzelf niet meer aan het woord komen.”

Beuving spreekt van een drieslag: „Je begint met het beschrijven van losse waarnemingen. Vervolgens ga je met mensen praten, om hun gedrag te kunnen duiden in hun eigen termen. Dat is wat de Duitse socioloog Max Weber verstehen noemde. De Amerikaanse antropoloog Clifford Geertz noemde het thick description. Maar dat is niet genoeg. Je moet daar bovenuitstijgen en proberen te verklaren. Het ‘native’s point of view’ wordt geïnterpreteerd met behulp van begrippen uit de sociale wetenschappen. De onderzoeker hecht zijn eigen betekenis aan de zin die mensen aan hun levens geven.”

In zijn beroemde essay over het Balinese hanengevecht (Deep play - Notes on the Balinese Cockfight, 1973) koppelt Geertz zijn ‘thick description’ aan ideeën hoe de Balinese samenleving in elkaar steekt. Door hoog in te zetten tijdens het hanengevecht handhaven deelnemers hun statuspositie. Het gevecht simuleert het sociale systeem: dorpen, verwantengroepen, waterschappen, tempelcongregaties en kasten. Status moet worden bevestigd en verdedigd, dat is de drijvende kracht van de Balinese maatschappij. De onderzoeker gebruikt in derde instantie dus een ander begrippenapparaat, dat van de sociale wetenschap.

Beuving: „Soms zijn mensen daar helemaal niet blij mee. Ik laat informanten altijd ontwerpteksten lezen. Toen ik aan het eind van mijn veldwerk in Cotonou bij die autohandelaren kwam met het verhaal dat ze eigenlijk lijden aan een soort goudkoorts, werden ze nijdig. Had ik het dus verkeerd gezien? Nee, ik had juist een gevoelige zenuw geraakt. Een lauwe, onverschillige reactie is het ergste oordeel dat je kunt krijgen van je informanten.”

Dit kleinschalige onderzoek gaat in tegen een hedendaagse trend: statistische analyses van enorme databestanden. Beuving: „Er is niets tegen zulk grootschalig onderzoek, maar je kunt big data niet begrijpen zonder small data. Je kunt de patronen in grote dataverzamelingen niet doorgronden zonder naturalistisch onderzoek.”

Een vroeg voorbeeld van werken met ‘big data’ is de studie die de socioloog Émile Durkheim maakte van zelfmoord in Frankrijk (Suicide, 1897). Dat was mogelijk toen de Franse overheid statistieken ging bijhouden. Durkheim ontdekte een verschil in zelfmoordpercentages tussen protestantse gemeenschappen in het zuidwesten, richting Pyreneeën, en de rest van Frankrijk, dat katholiek was. Beuving: „Zulke trends vind je niet met lokaal onderzoek. Maar er zijn kleinschalige, naturalistische studies nodig om te duiden waar die verschillen vandaan komen. Beide methoden vullen elkaar aan.”

Antropologen hebben het vanouds over ‘participerende observatie’. Maar participeren zij echt? Gaan ze mee vissen op het meer? Zetten ze in bij hanengevechten? Nemen ze dezelfde risico’s als hun informanten? Beuving: „‘Participeren’ is een overschatte term; ik ontmoedig mijn studenten om die te gebruiken. Antropologen in het veld steken af bij de groep bij wie ze onderzoek doen en het is belachelijk om te denken dat dit niet zo is. Ik heb in Cotonou even geprobeerd mee te doen in die autohandel, maar ik ben blij dat ik dat niet gedaan heb. Want daardoor ben ik nooit als een echte insider, als concurrent, gezien. Als je een relatieve outsider blijft, kunnen mensen je ook in vertrouwen nemen.”

Is het niet onvermijdelijk dat een nieuwsgierige buitenstaander die zich met een gemeenschap bemoeit, inbreekt, ontregelt? Beuving: „Je moet er naar streven zo min mogelijk te verstoren. Maar ik denk niet dat je na afloop van je onderzoek kunt claimen dat je niks verstoord hebt. Dat ten eerste. Verder denk ik dat kort veldwerk over het algemeen tot meer verstoring leidt dan langdurig veldwerk. Mensen raken op den duur aan je gewend, verveeld. Wat ik zelf altijd lastig heb gevonden is dat mensen op zeker moment belastende informatie met je gaan delen. Dan moet je je rol in het veld duidelijk maken en zeggen: ik probeer hier wèl een verhaal over te schrijven.”

Soms gebeurt onderzoek onopgemerkt, zonder dat dit ethische problemen oplevert. Beuving en De Vries nemen in hun boek de Canadese socioloog Erving Goffman (1922-1982) als voorbeeld. Hij was een meester in terloopse observaties van het alledaagse leven en wist daar een theorie over menselijk gedrag uit te destilleren.

Zo keek hij hoe mensen een kamer binnenliepen, en vooral naar wat ze deden voor ze de deur door gingen. Deuren zijn in de ogen van Goffman drempels tussen verschillende sociale werkelijkheden. Vlak voordat mensen een kamer vol met anderen binnengaan, merkte hij op, verandert er iets in hun gedrag. Ze rechten de rug, steken de kin omhoog en gaan dan pas naar binnen. Een andere observatie was hoe twee mensen van verschillende status samen door een deur gaan. Zij voeren in de gang een gesprek zonder zich bewust te zijn van hun statusverschil, tot het moment dat ze één voor één door een deur willen. Wie eerst?

Goffman deed zijn observaties ook gewoon op de faculteit, en hij zei er niet steeds bij: ik ben hier een boek over aan het schrijven.

Het ene onderzoek vereist een langere aanwezigheid in het veld dan het andere. „Het hangt af van het soort samenleving. Waar men vijandig staat tegenover buitenstaanders, kost het tijd om vertrouwen te winnen. In samenlevingen waar grote trauma’s of geheimen bestaan, is een lang verblijf nodig. Het hangt natuurlijk ook af van wat je wilt weten. Onderzoek naar ontrouw of faillissement is lastiger en duurt langer dan onderzoek naar het gebruik van mobiele telefoons.”

Er zijn steeds meer situaties die vragen om naturalistisch onderzoek, zegt Beuving. „We leven in een wereld van snelle mondialisering, waarin stromen goederen, mensen en beelden van een heel andere orde zijn dan in het verleden. De wereld raakt meer gemengd, er ontstaan nieuwe sociale vormen. Waar nog geen vaste patronen zijn, heb je niet zoveel aan survey-onderzoek. Dat werkt alleen als mensen een vaste plek hebben, een adres, zodat je een steekproef kunt trekken en je bij longitudinaal onderzoek terug kunt gaan naar dezelfde informanten. Zulk onderzoek is in Afrika vaak lastig. Mijn onderzoek gaat over economische grensgebieden, plekken die veel migranten trekken, waar ineens markten ontstaan, waar mensen elkaar niet goed kennen, waar ze ook weer makkelijk uitstappen. Daar leent naturalistisch onderzoek zich veel beter voor.”

Veldwerk kan sociale verschijnselen blootleggen die verborgen blijven in grote surveys. Als voorbeeld noemt Beuving de studie die Miranda Poeze deed onder Senegalese migranten, waarop ze in 2008 afstudeerde aan de Vrije Universiteit.

„Zij ging niet praten met succesvolle migranten, voor wie het heel belangrijk is om zichzelf te presenteren als geslaagd. Ze sprak met achterblijvers, met mislukkelingen eigenlijk, die niet weggekomen zijn of met hangende pootjes zijn teruggekeerd. Hoe ga je om met angst, met schaamte? Ze kwam erachter dat het populaire beeld van de emigrant als ondernemende gelukzoeker lang niet altijd adequaat is. Zij ontdekte een tweede model: mensen die er door hun familie op uit worden gestuurd. Die willen niet, maar die moeten. In die jongens wordt veel geld geïnvesteerd, ze worden zwaar onder druk gezet om te gaan en zijn dolblij als het mislukt en ze niet naar Europa hoeven. Dat is migratie uit conformisme, de wens om ouderen te behagen, die in Afrika heel sterk kan zijn.

„Zoiets krijg je alleen boven water met een naturalistische werkwijze, want het gaat over heel private kwesties. Schaamte is moeilijk te meten met een survey; zelfrapportages zijn notoir onbetrouwbaar. De enige manier om erachter te komen is niet alleen met die migranten zelf praten, maar ook met mensen om hen heen. Door het verhaal te ‘trianguleren’. En door te observeren wat de spanning is tussen wat ze zeggen dat ze doen en wat ze écht doen.”

Naturalistisch onderzoek is solistisch en daarom moeilijk controleerbaar, hoor je vaak. Beuving: „Voor mensen als Malinowski en Geertz ging dat nog op. Maar zo gaat het niet meer. Zij deden onderzoek vóór de mondialisering. Ze hadden elk ‘hun eigen dorp’ en hun onderzoek was veel minder toegankelijk voor anderen. Die tijd is voorbij. Sterker nog: informanten praten tegenwoordig terug in het stadium dat wij de members check noemen, als we onze bevindingen aan hen voorleggen.”

Naturalistisch onderzoek wordt zelden gerepliceerd. Beuving: „Een groot probleem met replicatie is dat gemeenschappen snel kunnen veranderen. Ik zie meer in het uitnodigen van collega’s op verschillende momenten van het veldwerk; je observaties delen en daarover praten. Ik heb zowel in Cotonou als aan het Victoriameer collega-onderzoekers het veld laten zien. Dat is wel een beetje eng. Je denkt: stel dat mijn messcherpe analyse wordt ontmaskerd als een fabricatie! Maar ben je het eens, dan verstevigt dat je bevindingen.”

Er bestaat in de antropologie een sterke verhalende traditie. Veldwerkverslagen hebben meestal een plot en personages. Hoe groot is het gevaar dat je door data in verhaalvorm te gieten fictie schrijft?

„Gering, zolang de feiten het verhaal niet logenstraffen. Literaire elementen zijn helemaal niet onwetenschappelijk, sterker nog: ‘telling about society’ heeft een grotere impact naarmate er beter wordt verteld. Er is de drieslag beschrijven, interpreteren en verklaren. Op een moment dat je in de onderste laag gaat rommelen, en in je ingedikte beschrijving gaat praten over dingen die nooit hebben plaatsgevonden, dán ontspoort het. Essentieel is dat je het perspectief van de mensen die je onderzoekt verweeft in je verhaal. Door citaten of door de lezer mee te nemen naar bepaalde plekken, zodat hij kan zien wat de onderzoeker heeft gezien en daar ook vraagtekens bij kan zetten.”