Een mens is meer dan zijn brein

Als een van de weinige psychiaters hecht Herman van Praag grote waarde aan religie. Van Praag, die de Holocaust overleefde, werd wegens zijn werk ooit uitgemaakt voor nazi-arts. „Het leven heeft mij nooit geknakt.”

Herman van Praag: „De gedachte dat bijna de hele wereld zweeg en uit wegkijkers bestond, vond ik verschrikkelijk. Maar dat was Zijn schuld toch niet?”
Herman van Praag: „De gedachte dat bijna de hele wereld zweeg en uit wegkijkers bestond, vond ik verschrikkelijk. Maar dat was Zijn schuld toch niet?” Foto Merlijn Doomernik

Hij mag dan vijfentachtig zijn, Herman van Praag probeert nog elke ochtend om half negen achter zijn bureau te zitten. „Discipline houdt je scherp.” Dan leest hij over zijn vak – hij is nog altijd adviseur bij zijn oude vakgroep in Maastricht – en schrijft hij boeken.

Als hoogleraar psychiatrie hield hij zich bezig met ‘hersenen en gedrag’. Sinds zijn emeritaat in 1998 concentreert hij zich op religiositeit. Onlangs verscheen zijn boek Net voorbij de rede, over de Homo Religiosus – een vervolg op Het verstand te boven, uit 2013. Het gaat Van Praag aan het hart dat in kringen van hersenonderzoekers en psychiaters de belangstelling voor religiositeit zo gering is. „Dat is de afdeling sprookjes en kletspraat.” Die aversie is alleen nog maar vergroot sinds Dick Swaab zijn bestseller Wij zijn ons brein publiceerde. Knap boek, hoor, daar zul je Van Praag niet over horen, ook al is hij het met de inhoud niet eens. Prima kerel ook, die Swaab. „Maar dat boek heeft het idee dat religiositeit achterlijk en onwetenschappelijk is nog verder uitvergroot.”

De aversie tegen religiositeit binnen de psychiatrie begon al toen Sigmund Freud in 1927 Zukunft einer Illusion publiceerde. „Freud beschreef de hang naar religie als een neurose die niet gekoesterd maar behandeld dient te worden. Dat heeft een kolossale invloed gehad in de psychiatrie: religiositeit is ziekelijk, een vroegkinderlijke hechting aan een verzonnen vaderfiguur.”

Kun je zeggen dat u als psychiater juist een lans wilt breken voor religiositeit?

„Zo zie ik dat zelf zeker. De mogelijkheid om je te kunnen richten tot een abstracte trooster, raadgever of mentor is voor mensen erg belangrijk. Een grote meerderheid van de mensen kent die behoefte. Zelfs mensen die zichzelf als atheïst beschouwen. Zodra ze in een neerstortend vliegtuig zitten, gaan de meesten toch bidden.”

Freud zou dat vast een vroegkinderlijk zwaktebod vinden.

„Ik vind het een sterktebod. Die verticale hang geeft kracht. Alles wat het leven verlicht, in de dubbele betekenis – minder zwaar makend en minder donker – is positief voor mensen.”

Denkt u dan aan een soort trooster in jezelf of aan een bestaand opperwezen?

„Daar waag ik mij niet aan. Godsdienst is puur persoonlijk, een innerlijke staat. U beleeft dat als individu. Op het moment dat je gaat zeggen: ‘Dit is de waarheid’, dan kom je ogenblikkelijk op het terrein van de intolerantie. Dan geef ik niet thuis.”

En juist die intolerantie zien we vaak: grondpersoneel dat even wat zaakjes denkt te moeten regelen namens God.

„Godsdienst kan enorme agressie oproepen: wij zijn de besten en de rest moet dood. Wat er in Parijs is gebeurd heeft natuurlijk niets met religiositeit te maken. Helemaal niéts. Godsdienst is helaas vaak misbruikt. Kijk naar de kruistochten, naar de inquisitie. Allemaal uitingen van totaal verwrongen ideeën van wat godsdienst zou moeten zijn.”

Maar toch zegt u: geloven is goed voor een mens. Het maakt eigenlijk niet uit in wat of wie.

„Nee, dat zeg ik niet. Bij veel mensen beperkt spiritualiteit zich tot ‘geloven in iets’ of ‘geloven in het hogere’. Dat is te vaag. Mensen hebben juist behoefte aan structuur, aan verticaliteit. En dat bieden de grote religies. Uit onderzoek blijkt dat de religieuze mens minder kans heeft op een depressie. Hij reageert beter op behandeling en heeft bovendien minder kans op recidive. Mits dat godsbeeld er één is van troost en goedwillendheid. Mensen die geloven in een wrekende God hebben juist een grotere kans op depressie.”

Klampen mensen zich er niet aan vast omdat het bestaan anders zinloos lijkt?

„Dat is het interessante aan het jodendom: het hiernamaals komt in het hele Oude Testament niet voor. Het gaat om het leven op aarde. De Eeuwige verwacht dat de mens zichzelf een doel stelt. Het idee binnen het judaïsme is dat God een wereld schiep die beschadigd is. Het is de taak van de mens om te proberen die wereld alsnog te vervolmaken. Dat is bij uitstek zingeving. Je doet het niet voor God of voor een plaatsje in de hemel, je doet het om een zinvol en productief leven te leiden.”

Van Praag was als puber al geïnteresseerd in de werking van de hersenen. „Hoe kan die anderhalve kilo sponzige massa nou ten grondslag liggen aan alles wat een mens kan en beleeft?” Toch had hij niet de ambitie om psychiater te worden. Dat vak leek hem ‘te on-biologisch’ en te eenzijdig. Hij koos eind jaren vijftig voor neurologie, en deed psychiatrie als zustervak.

Net in die tijd werden de eerste antidepressiva ontwikkeld. Van Praag raakte er mateloos door geïntrigeerd. Hoe kon een simpel pilletje het gedrag van mensen beïnvloeden? „Voor het eerst bleek het lichaam-zielprobleem klinisch benaderbaar. Maar wat doet dat stofje dan in de hersenen? Hoe kan het zo’n grote invloed uitoefenen? En zou je zo kunnen achterhalen welke delen van het brein betrokken zijn bij het ontstaan van depressie? Die vragen lieten mij niet los. Toen heb ik definitief gekozen voor de psychiatrie.”

Is het een goede keuze geweest?

„Ik had niks beters kunnen wensen. Elke patiënt is zijn eigen novelle. Je krijgt dat hele leven voor je uitgestald. Dat vind je nergens anders in de geneeskunde. En je hebt doorlopend te maken met zeer ernstig lijden. Van lichamelijk lijden kun je je soms nog distantiëren. Je bént namelijk nooit je gebroken been. Maar je bent wel depressief. Sterker nog: je bent depressief of psychotisch met je hele wezen. Dat heeft invloed op alles.”

U was jarenlang actief binnen de biologische psychiatrie. Gaat dat wel samen met religiositeit?

„Dat is zo’n dwaas misverstand. Vanaf de eerste dag dat ik psychiater was heb ik geroepen dat ‘de biologische psychiatrie’ niet bestaat. Gestoord gedrag kan alleen verklaard worden als je de hersenen bestudeert, in samenhang met de psychologische ontwikkeling en de sociale context van de patiënt. Dat zijn dus geen tegendelen, ze zijn volstrekt complementair. Dat is het geweldige aan dit vak: het reikt van de moleculaire neurobiologie tot aan de theologie en de filosofie. Zo breed is geen enkel ander medisch vak.”

Van Praag groeide op in een Joods gezin in Schiedam. In de oorlog werd hij samen met zijn ouders en zus opgepakt. In totaal zat hij ruim drie jaar in onder meer Westerbork en Theresienstadt. Ze overleefden het alle vier. Collega’s zeiden later weleens tegen hem: „Jij werkt niet voor niks zo hard. Dat doe je vast om de oorlog te vergeten.” Zo heeft hij dat zelf nooit gezien. Hij is niet wezenlijk beschadigd door de oorlog, denkt Van Praag. „Ik vergeet niks, en heb ook niks verdrongen. Ik wilde alleen verder met mijn leven. Ik heb me in de kampen voorgenomen om te overleven. En ook om er daarna iets van te maken. Om te laten zien: ik ben er nog. Voorwaarts, maar niet vergeten.”

Bovendien had het erger gekund, veel erger. Auschwitz en Sobibor waren vernietigingskampen, Theresienstadt niet. „Bij mensen die Auschwitz hebben overleefd zijn de kwetsuren ongetwijfeld dieper. Al leefden wij wel jarenlang in voortdurende onzekerheid: wie zal er volgende week op de lijst voor transport naar het oosten komen? Die eindeloze spanning was natuurlijk wel fnuikend. Want niemand geloofde in het bestaan van werkkampen. Ik zei toen al tegen mijn vader: Pa, als dat werkkampen zijn, waarom nemen ze dan ook de baby’s en bejaarden mee? De angst om op transport te gaan beheerste ons leven.”

Begrijpt u als psychiater achteraf iets van die kampbewaarders?

„Ik heb een man als Albert Gemmeker (commandant van Westerbork) vaak zien langslopen. Ik heb hem en zijn kornuiten intens zien genieten bij Johnny en Jones, bij cabaret en toneelstukken. Want die kampen zaten vol met mensen die echt wat konden. Zaten ze hard te applaudisseren. Terwijl ze diezelfde mensen de volgende dag de vernietiging instuurden. Ik heb de SS’ers in Theresienstadt rond Kerst devoot en vol overtuiging ‘Stille Nacht Heilige Nacht’ horen zingen. De dag daarna waren het weer wrede moordenaars. Hoe dat kan is voor mij niet te verklaren. Kennelijk geloofden ze echt dat in het jodendom de essentie van het Kwaad lag. Echte wanen die niet uit te bannen waren.”

Hebt u in de kampen gebeden?

„Dat heb ik geregeld gedaan, ja. Hoewel ik uit een zionistisch gezin kwam, waarin geloof geen rol speelde. Mijn vader had een afkeer van alles wat orthodox was. Hij was juist heel tolerant. Maar ja, de angst was soms toch heel groot.”

Kunt u nog geloven in een God, na Auschwitz?

„Als er een God was vóór Auschwitz, dan was-ie er ook ná Auschwitz.”

Waar was hij dan tijdens Auschwitz?

„Ik zie God als een mentor, een superleraar. En wat doet een leraar? Die doceert en instrueert. Op een gegeven moment zegt hij: ‘Nu ben ik klaar en moeten jullie het zelf doen. Ik hoop dat jullie mijn lessen en ideeën hebben geïnternaliseerd. Meer kan ik er niet aan doen.’ Auschwitz was mensenwerk. Je kunt de leraar niet verantwoordelijk stellen voor het wangedrag van zijn leerlingen.”

Bent u nooit woedend op God geweest?

„De gedachte dat bijna de hele wereld zweeg en uit wegkijkers bestond, vond ik verschrikkelijk. Maar dat was Zijn schuld toch niet? Ik werkte in Westerbork bij een dienst waarbij je soms ook buiten het kamp kwam. Mijn ouders hebben weleens gezegd: Probeer te ontsnappen, jongen. Maar waar moest ik als 15-jarige heen? De ervaringen in Schiedam waren niet hoopgevend. Mijn vader was jurist en ingenieur bij de overheid, maar werd in de oorlog acuut ontslagen. Er is nooit een burgemeester geweest die daar excuses voor heeft aangeboden. Ik werd van school geplukt door de Grüne Polizei. Denk je dat ik iets van het schoolhoofd hoorde? Ik wist gewoon niet waar ik heen moest. Maar daar gaf ik God niet de schuld van.”

Stond God tijdens de Holocaust dan eigenlijk wel aan iemands kant?

„Ik denk dat Hij tot de dag van vandaag huilt om wat er is gebeurd.”

U voelde zich niet in de steek gelaten?

„Natuurlijk wel. Maar ik wist ook dat het Joodse volk nooit helemaal zou verdwijnen. Toen mijn moeder die ster op mijn jas naaide was ik er tegelijk trots op dat ik tot dat volk behoorde. Na de oorlog ben ik de davidster permanent om mijn pols gaan dragen. Het Joodse volk is inderdaad heel zwaar op de proef gesteld. Maar in de oprichting van de Joodse staat zag ik toch weer de hoop. Het ontstaan van Israël was voor mij een pleister op de wonde.”

Wat heeft die kamptijd betekend voor uw mensbeeld?

„Ik heb niet het vertrouwen dat mensen uit zichzelf veel voor andere mensen zullen doen als ze er zelf gevaar door lopen. Tegelijkertijd realiseer ik me dat ik zelf misschien niet veel beter ben.”

Later werd u als biologisch psychiater door aanhangers van de antipsychiatrie uitgescholden voor ‘naziarts’. Er hingen affiches op straat: ‘Van Praag is een fascist.’ Hoe was dat voor u?

„Gek genoeg raakte mij dat niet zo. Voor mijn vrouw en kinderen was het veel erger. Ik beschouwde het vooral als onwetendheid. Als ze voor het laboratorium stonden te demonstreren, nodigde ik ze uit om binnen te komen: ‘Vertel dan wat je op je hart hebt.’ Dat deden ze natuurlijk niet. Terwijl de dingen die wij toen onderzochten in deze tijd heel gewoon zijn. Het is zelfs nogal doorgeschoten. Dat brein-fetisjisme van tegenwoordig gaat mij veel te ver. Een mens is zoveel méér dan zijn brein. Uw geest wordt bepaald door hoe u gebouwd bent, maar ook door uw opvoeding, uw interesse en wat u hebt meegemaakt. Dat we geen eigen wil zouden hebben is echt lariekoek. De bouw van het schip is grotendeels vastgelegd, maar u blijft zelf de kapitein. Daarom bent u ook verantwoordelijk voor uw daden.”

Van Praags vrouw Nelleke zat tijdens de oorlog in een jappenkamp. En toch hebben ze na de oorlog maar weinig over die zwarte periode gesproken. „Ik had er geen behoefte aan. Je kunt niet de rest van je leven in de rouw zijn. Bijna twintig jaar geleden is onze oudste kleinzoon verdronken. Hij was pas zeven. Dat was een immens groot verdriet. En toch hebben we het ook daar maar weinig over gehad.”

Dus een mens kan eigenlijk alles wel overleven?

Aarzelend: „Laten we zeggen: véél. Maar misschien overschat ik de mens wel.”

Ik hoorde u vorig jaar op een symposium zeggen: ‘PTSS heeft vooral met de persoonlijkheidsstructuur te maken. Ik vraag me sowieso af of het wel bestaat. Als iémand het had moeten hebben dan ben ik het. En ik heb het niet.

„Ik vind de beschrijving van PTSS te vaag. Je kunt namelijk geen enkel gedragspatroon los zien van wat er gebeurde vóór de narigheid begon. Blijkbaar heeft de een gewoon meer mogelijkheden om zich teweer te stellen dan de ander. Het leven heeft mij in elk geval nooit geknakt. Mijn religiositeit geeft mij daar steun bij.

„Ik ga regelmatig naar de synagoge. Ik zit dan graag bij de Heilige Ark, waar de vijf rollen van Mozes bewaard worden. Daar voel ik de ziel van het Joodse volk. Dat ontroert me. Ik laaf mij aan die bezieling, aan dat genie. Genieën en visionairs gaan de grens tussen vernuft en verbeelding over. Daar begint het domein van de verbeelding, van de religiositeit en de kunst. Je daarvoor afsluiten en roepen: Maar bestáát dat eigenlijk wel? is een enorme verarming. Bach voelde een goddelijke vonk die hem mateloos inspireerde. Of die vonk er werkelijk wás is voor het eindresultaat volstrekt irrelevant.”