Die hockeycultuur, die moet blijven

Explosieve groei, een kwart miljoen leden. Mooi, maar de nieuwe directeur van de hockeybond wil meer regie.

Erik Gerritsen over de hockey-internationals. „Ook na een tweede of derde plaats kabbelt hun leventje wel weer voort.”
Erik Gerritsen over de hockey-internationals. „Ook na een tweede of derde plaats kabbelt hun leventje wel weer voort.” Foto Merlijn Doomernik

Technisch was hij niet de allerbeste hockeyer van Nederland. Erik Gerritsen is de eerste om dat toe te geven. Zeker vergeleken met een balvirtuoos als Taco van den Honert, destijds zijn ploeggenoot bij Amsterdam. Maar „slim en tactisch sterk” was de nieuwe directeur van de hockeybond wel, getuige zijn dertien lange jaren in de hoofdklasse.

Het zijn eigenschappen die hij de komende jaren volop zal inzetten. De KNHB viert zaterdag de aanmelding van het 250 duizendste lid – het bewijs dat er nog lang geen einde is gekomen aan de explosieve groei van de sport in Nederland. Maar de mijlpaal van een kwart miljoen hockeyers is voor Gerritsen (43) geen reden om achterover te leunen.

Lange wachtlijsten bij clubs in de Randstad en in Brabant, een nijpend tekort aan kunstgrasvelden, en financiële problemen in het tophockey zijn uitdagingen waarin hij zijn tanden in wil zetten. Net als in de lange prijzendroogte bij de Nederlandse mannenploeg, die ook in Den Haag het wereldgoud weer naar een ander land zag gaan.

Maar Gerritsen wil er op de eerste plaats zijn voor de hele Nederlandse hockeywereld – dat heeft hij gemeen met zijn voorganger Johan Wakkie. Niet alleen het tophockey en de sterke regio’s tellen bij de bond, ook jongens D2, dames 17 en het noorden en oosten van Nederland.

„Groei is geen doel”, zegt Gerritsen aan de vooravond van het nationaal hockeycongres, zaterdag in Utrecht, voor de ruim driehonderd Nederlandse hockeyclubs. „Het belangrijkste is dat de kwaliteit op een hoog niveau blijft. Waarom is het hockey de afgelopen decennia zo gegroeid? Omdat wij ten opzichte van andere sporten onderscheidend zijn geweest met een veilige, leuke, sociale familieomgeving, een hoge kwaliteit, met goede velden en goede trainers. Hoe groter de sport wordt, des te meer we moeten doen om die cultuur overeind te houden.”

De sport straalt dat nog steeds uit, gezien de enorme vraag. De bond verwacht de komende vijf jaar door te groeien naar 300.000 leden. Maar het gebrek aan kunstgras – ook al hebben clubs tegenwoordig zes velden of meer – is het grootste struikelblok. „Alleen al in Amsterdam zijn vijftien extra velden nodig om de wachtlijsten op te lossen. In de grote steden kun je niet meer bij een hockeyclub terecht. Natuurlijk is dat een luxeprobleem. Maar we willen geen ‘nee’ verkopen.”

Ruimtegebrek en onvoldoende financiële middelen remmen de expansie van de clubs, dus de hockeywereld zal inventief moeten zijn. „We gaan met gemeenten praten, maar ook met andere sportclubs. Naast een hockeyclub die uit zijn voegen barst zie je vaak een voetbalclub die nog ruimte heeft. Daar liggen kansen. Er bestaat al kunstgras waarop je zowel kunt voetballen als hockeyen.”

Samenwerking met de gemeenten is ook om andere redenen van belang, denkt Gerritsen, die de clubs graag nog meer lokaal ziet verankeren. Nu al worden clubhuizen gebruikt voor, bijvoorbeeld, naschoolse opvang. Wat hem betreft wordt dat clubhuis het buurthuis van de toekomst. „De clubs kunnen bijvoorbeeld dagopvang voor ouderen aanbieden. Door maatschappelijk relevante dingen te doen kun je de financiële basis van de clubs versterken.”

Niet alleen voor de breedtesport, maar ook voor de topclubs zou een bredere maatschappelijke basis een welkome aanvulling zijn. Zij kwamen de afgelopen jaren vrijwel allemaal in de problemen door teruglopende sponsorinkomsten, die de basis vormen voor spelerssalarissen. Zelf verdiende Gerritsen in zijn actieve loopbaan (1990-2003) geen cent aan hockey – de enige verandering die hij merkte was dat hij zijn laatste hoofdklassejaren geen contributie meer hoefde te betalen. Nu verdient een goede international zomaar 40.000 euro per jaar – of meer. „Ik vind die professionalisering prima”, zegt Gerritsen. „Daardoor moeten de spelers ook harder gaan trainen en gaat het niveau omhoog.”

Waar zijn voorganger Wakkie aan de clubs zelf overliet hoe ze hun financiële problemen oplosten, wil Gerritsen dat de bond de regie neemt. „Ik ben voorstander van een licentiesysteem voor de hoofdklasse, zodat je afspraken maakt over inkomsten en uitgaven. Je zou het ook kunnen doortrekken naar de andere verenigingen, misschien met een keurmerk financiële gezondheid. Publiciteit over financiële problemen, zoals vorig jaar bij clubs als Kampong en Laren, is niet goed voor de hockeysport.”

Om de inkomsten van de grote clubs te vergroten ziet Gerritsen ook brood in het heffen van entreegeld bij de play-offs en eventueel ook bij reguliere hoofdklasseduels. „Als je naar basketbal of ijshockey gaat moet je ook betalen. Wij leveren met hockey meer echte topsport dan veel andere sporten in Nederland waar je wél voor moet betalen.”

Maar de professionalisering van het tophockey heeft nog een kant. Tijdens het WK in Den Haag, vorige zomer, bleek dat de mannenploeg nog steeds achterblijft bij de absolute wereldtop. De hoofdprijzen worden al sinds 2004 verdeeld door Australië en Duitsland. Oud-bondscoach Paul van Ass legde begin deze maand een verband met de lange nationale competitie die een gedegen WK-voorbereiding in de weg stond. Daar komt verandering in. „We hebben met de hoofdklasseclubs inmiddels afspraken gemaakt, zodat er structureel meer voorbereidingstijd komt voor grote toernooien. Ik ben het met Van Ass eens dat de eisen internationaal steeds hoger worden.”

Maar spelers uit de competitie halen, zoals Australië en Argentinië met veel succes deden in aanloop naar ‘Den Haag’, is ondenkbaar in Nederland. „Wij zullen altijd onze spelers in de competitie moeten hebben. Die hoort bij onze cultuur. Als je de spelers weghaalt, graaf je je eigen graf. Wij willen een model met een goede clubcompetitie en met nationale teams die op wereldniveau presteren.”

Dat zal van de spelers en de clubs ook meer vergen. „Er moet harder worden gewerkt, meer worden getraind. De mannen-internationals zien hun clubtrainingen als een dagje rust. Dat is nog steeds de cultuur in het mannenhockey. Ook na een tweede of derde plaats kabbelt hun leventje wel weer voort. Dat kan echt verbeteren.”

Gerritsen ziet daar een opvallend verschil met de dames, die de laatste acht jaar zo succesvol waren met olympisch goud (2008 en 2012) en hun wereldtitel in Den Haag. „De dames-internationals hebben die cultuur niet. Die hebben zichzelf opgelegd om géén dagje rust te nemen. Daar is echt een verschil in intrinsieke motivatie. Het is de verdienste van onze dames dat zij die stap zelf hebben gezet.”

Om grote titels te kunnen winnen zullen de mannen volgens Gerritsen een stap extra moeten zetten. „Dat geld voor de bond, de clubs en de spelers. Kijk naar de Euro Hockey League: daar worden Nederlandse verenigingen tegenwoordig ook geklopt door Duitse en Belgische clubs.”

Voor de bond en de clubs is nog meer huiswerk te doen. Gerritsen denkt dat in de jeugdopleiding meer aandacht moet komen voor het ontwikkelen van specialismen, zoals verdedigen, strafcorners of het verbeteren van de mentale weerbaarheid. „Dat hebben wij verwaarloosd in Nederland. We hebben veel spelers van het hetzelfde type – hockeyers die leuk een bal heen en weer kunnen halen. Het is opvallend dat we in Nederland één wereldstrafcorner hebben, van Mink van der Weerden. Kampong en Bloemendaal hebben daar Belgen voor, Amsterdam een Zuid-Afrikaan, en HGC een Argentijn. Ik begrijp best dat clubs buitenlandse spelers halen om in de hoofdklasse te blijven, of om de play-offs te halen. Het is juridisch ook heel moeilijk om buitenlandse spelers te weren. Maar als de bond en de clubs samen de jeugd beter opleiden zullen ze de buitenlanders ook veel minder nodig hebben.”