De hybride burgemeester is soms een eenzaam figuur

Liefhebbers van soaps of politieke tv-series, zoals de nu lopende De Fractie, konden de afgelopen jaren, inclusief afgelopen week, hun hart ophalen in de Noord-Brabantse gemeente Laarbeek. Met een onhandige burgemeester in de hoofdrol, die op het hoogtepunt van het drama onwel wordt in een vergadering over zijn functioneren en per ambulance wordt afgevoerd. Waarop zijn tegenstrever, die tevens de locoburgemeester is, hardop suggereert dat de burgemeester simuleert.

Leugens, strategisch lekken, een vervalste brief, een wethouder die de bedrijfsbelangen van zijn broers behartigt, gedoe over declaraties – het zat er allemaal in en het is echt gebeurd. Hooguit zou een scenarioschrijver suggereren: moet er niet ook wat seks bij?

Dit alles zou af te doen zijn als optelsom van smakelijke dan wel ordinaire dorpsrellen, ware het niet dat de verwikkelingen in Laarbeek symptomatisch zijn voor de soms onmogelijke positie waarin burgemeesters ook elders in Nederland zijn komen te verkeren. Daar legt in elk geval een commissie van externe zwaargewichten, die de Laarbeekse kuiperijen onderzocht, de vinger op.

In Laarbeek raakte de burgemeester klem tussen zijn functie als lid van het college en zijn verantwoordelijkheid voor zuiver bestuur. Het liep zo uit de hand dat hij zich in het gemeentehuis onveilig en geïntimideerd voelde – en daar had hij reden voor, stelt de commissie vast. Hij kwam in een positie van ‘institutionele eenzaamheid’.

Dat is, in zekere zin, kenmerkend voor het ambt. De burgemeester is voorzitter van het college van B en W – vaak zonder dat hij invloed heeft op het collegeprogramma – en voorzitter van de gemeenteraad. Maar ook is hij, in zijn eentje, verantwoordelijk voor de handhaving van de openbare orde en, gevoelig thema, veiligheid. Als zodanig is hij een verlengstuk van de minister van Veiligheid en Justitie, en soms de uitvoerder van diens orders. Hij zit uit hoofde van zijn functie in regionale organen die zich met politie en brandweer bezighouden. Dat zijn taken die niet de gemeenteraad maar de wetgever hem heeft gegeven – de laatste jaren steeds meer.

De burgemeester voelt zich bovenal verantwoordelijk voor de integriteit van het openbaar bestuur. En dat kan botsen met plaatselijke bestuursmores – zoals in Laarbeek het geval was. Bij de Eerste Kamer ligt een voorstel dat de burgemeester straks zelfs wettelijk verplicht om op integriteit te letten – een onmisbare hoedersfunctie, zeker in de lokale democratie. Hij dient corruptie, cliëntelisme en nepotisme te bestrijden. De burgemeester moet wethouders hierop aanspreken; en ook de leden van de gemeenteraad, het orgaan dat tegelijkertijd de facto over zijn (her)benoeming beslist. Dit stelt de burgemeester voor dilemma’s.

De ‘hybridisering’ van het ambt is haar grenzen aan het naderen, concludeerde de onderzoekscommissie na ‘Laarbeek’ . Tot een soortgelijke slotsom kwamen vorig jaar rapporteurs van de Tilburgse School voor Politiek en Bestuur na een landelijk onderzoek.

De positie van de burgemeester is aan herijking toe. Een politieke meerderheid in het parlement is ervoor om de benoeming van de burgemeester weg te halen bij de Kroon, dus bij het kabinet, die in de praktijk al niet meer dan een formaliteit is. Als deze Grondwetswijziging wordt gerealiseerd, is de vraag aan de orde: hoe verder?

Duidelijk is dat de burgemeester baat heeft bij zowel een democratisch proces dat zijn positie legitimeert als een heldere, in de wet verankerde omschrijving van zijn takenpakket. Opdat hij zijn functie in de lokale democratie als bewaker van bestuurlijke integriteit onbekommerd en onbelemmerd kan uitoefenen.