De auto is een roofdier

Joop Donkervoort maakt sportauto’s. Bij een salade praat hij over groot denken en klein blijven. „Je wilt dat het huwelijk tussen man en auto standhoudt.”

Sportwagenfabrikant Joop Donkervoort: „In mijn tijd reed een BMW-rijder geen Japanner. Een auto wordt een gebruiksvoorwerp. Niet om te bezitten, maar om te delen.”
Sportwagenfabrikant Joop Donkervoort: „In mijn tijd reed een BMW-rijder geen Japanner. Een auto wordt een gebruiksvoorwerp. Niet om te bezitten, maar om te delen.”

W

e zitten bij De Jonge Haan, een brasserie in Hilversum. Twee jaar lang zat Joop Donkervoort (65) hier bijna elke week om met schrijver en autoliefhebber Koos Woltjes te praten over zijn bedrijf. Joop Donkervoort is sportwagenfabrikant. In zijn fabriek in Lelystad worden, met de hand, Donkervoorts gebouwd: ultralichte, supersnelle en ‘straatlegale’ racewagens; ze kunnen op het racecircuit, ze mogen op de openbare weg. Het nieuwste model, de D8 GTO, staat in de top 10 van ‘coolste auto’s ter wereld’ van de makers van het Britse autoprogramma Top Gear: ‘je dacht dat je een snelle auto had? Vergeet het. Vergeleken met de D8 was het een slak, een lamme smurf’.

De Jonge Haan-gesprekken mondden eind vorig jaar uit in een boek, Donkervoort. Is het een bedrijfsportret, een biografie? Het is een beetje van allebei. Niet gek. Want Donkervoort, dat is het bedrijf, de auto én de man.

Joop Donkervoort zit al aan een tafeltje bij de verwarming. Tenger, zachte stem en een tikkeltje uit zijn doen als blijkt dat ik autokenner noch -rijder ben. Hij ademt auto’s. Vijf dagen per week is hij in de fabriek te vinden, soms zes. En de zevende dag heeft hij nodig om de komende zes met auto’s gevulde dagen vast „uit te stippelen”. En verder? „Helemaal niks.” Of nou ja, hij kart graag. Maar ja, zegt hij, dat heeft natuurlijk ook weer met auto’s en hard rijden te maken. Daags na het gesprek mailt hij dat het lunchgesprek hem is meegevallen. „We hebben tóch leuk over auto’s kunnen praten.”

Voor het ritje naar De Jonge Haan heeft hij de Audi genomen. ’s Winters rijdt hij weinig in z’n Donkervoort (het zijn open auto’s). Bovendien: er ligt zout op de weg. Er is toch nog niet gestrooid?„Nee, maar vorige week wel.” Hij vindt het heel „vleiend” dat er een boek over hem is geschreven. Maar ook verschrikkelijk noodzakelijk. „De autowereld is niet louter glitter en glamour.” In dit boek wordt „realistisch” beschreven hoe het leven van een Nederlandse auto-ondernemer werkelijk is. Lees hoe hij de afgelopen 36 jaar werd geteisterd door economische crises, hoe hij gedwarsboomd werd door de FIOD, de RDW (Rijksdienst voor het Wegverkeer) en de belastingdienst, en hoe hij werd afgescheept door grote autofabrikanten die eerst wel en toen toch weer niet met hem wilden samenwerken.

„Die auto, dat wordt je levenswerk”, voorspelde zijn vader, zelf succesvol ondernemer. Dat was in 1978, Joop Donkervoort kocht de importrechten van de Lotus Seven: een Engelse tweezitter die toen uitsluitend als bouwpakket in Nederland werd geleverd. Op zijn zestiende had hij er eentje op een parkeerplaats zien staan, bij het het Hiltonhotel in Rotterdam, en een „hartverlamming” gekregen. Alle auto’s die Donkervoort in zijn leven zou ontwerpen, zijn een technische vervolmaking van dat allereerste Lotusmodel. In de begintijd bouwde hij ze in de schuur achter zijn huis in Tienhoven, daarna in de iets grote schuur naast zijn huis in Loosdrecht, en nu in de fabriek in Lelystad. In zijn levenswerk hebben zijn vrouw Marianne, zijn zoon Denis en zijn dochter Amber elk een eigen functie.

Joop Donkervoort kijkt op de menukaart. Hij kiest een kleine spinaziesalade en een glas water. Toe maar, zeg ik. Hij glimlacht. „Ik wist twee dingen toen ik mijn bedrijf begon. Wil ik het volhouden, dan moet ik zelf in topconditie zijn. En ik moet een voorbeeld zijn voor de jongens.” De jongens, dat zijn de 32 mannen in zijn fabriek die net zo gek van auto’s zijn als hij en die alles wat hij bedenkt in elkaar sleutelen. Voor hen staat hij al 27 jaar om zes uur ’s ochtends op om een uur te hardlopen. Vier dagen in de week en soms op vrijdag ook. „Dat is een bonus.” Want vrijdagavond gaat hij ook al naar de sportschool. Roken vindt hij niks en drinken doet hij nauwelijks. „Op de mts vond iedereen het stoer om bier te drinken. Maar ik dus niet.”

Vrijwel alle andere Nederlandse automobielfabrikanten hebben zijn advies gevraagd, zegt hij. „Allemaal kwamen ze bij me met dezelfde droom: hun eigen auto bouwen. Negen van de tien is het niet gelukt.” Kwam Victor Muller ook bij hem? Muller is de oprichter van het handgemaakte sportautomerk Spyker Cars, die in 2010 Saab overnam. Ja zeker, knikt hij, die ook. „We hebben hem geholpen het prototype van de Spyker te bouwen.” Victor, zegt Donkervoort, is alles wat hij niet is. „Victor is geweldig sociaal.” Hij niet? „Ik ben niet de meest aardige, toegankelijke figuur”, zegt hij. „Victor dacht altijd groot.” Groter dan hij? „Véél. Hij ging meteen racen in Le Mans, hij kocht een Formule 1-team.” Hij houdt zijn wijsvinger een paar millimeter van zijn duim. „Als ik een uurtje met hem gesproken had, kon ik door een dichte deur naar buiten. Zo klein was ik geworden.” Victor Muller durfde enorme risico’s te nemen, hij niet. Saab ging in 2011 failliet, Spyker eind 2014. Geen spoortje leedvermaak in de blauwe ogen van Donkervoort. „Ik vind het verschrikkelijk. Voor hem, maar voor ons bedrijf is het ook niet fijn als mensen denken dat grootse dingen niet kunnen in Nederland.”

Zijn wat stugge manier van doen beschermt, als een dun laagje lak, zijn verrassende eerlijkheid. Hij zegt rustig dat hij niet zo snel is van begrip. „Grapjes begrijp ik vaak de volgende ochtend pas.” Zijn vader had hem graag naar de Technische Universiteit zien gaan, maar daar had hij de capaciteiten niet voor. „School vond ik niks.” Hij was geen lastige jongen. „Meer een dromer. Ik had alternatieve gedachten.” Hij voelde wel voor een kunstopleiding. „Mijn moeder tekende en schilderde, dat leek me mooi.” Het werd de mts, een compromis. „Bij mijn kinderen heb ik geprobeerd vooral hun emotionele intelligentie te stimuleren. Gevoel is minstens zo belangrijk als kennis.”

‘No compromise’ is de slogan van Donkervoort. Neem dat vooral letterlijk. Een potentiële klant die wél het geld, maar niet het gevoel voor zijn auto’s heeft, adviseert hij zonder pardon „richting een ander merk”. Niks zo erg als een auto die niet ‘past’. Zijn klanten zijn ambassadeurs, visitekaartjes. „Je probeert de auto zo aan de man te koppelen, dat het huwelijk jaren standhoudt.”

Wereldwijd rijden er iets meer dan 1.200 Donkervoorts rond. De rijders zijn veelal man én ondernemer. Donkervoort heeft daar een logische verklaring voor: een Donkervoort is niet goedkoop (een ‘kale’ D8 GTO kost , inclusief btw, iets meer dan 163.000 euro). Ondernemers kunnen zich dat permitteren. „Meelopers kopen voor dat geld een veilig merk. Maar ondernemers zijn geen meelopers, het zijn eigenheimers. Die doen waar ze zin in hebben. Dus die kiezen een Donkervoort.”

De laatste paar jaar laat hij de dagelijkse leiding van het bedrijf meer aan anderen over. Zo heeft hij meer tijd voor wat hij het allerleukst vindt: auto’s ontwerpen. Inspiratie haalt hij uit de natuur. „Een auto heeft iets weg van een roofdier.” Kijk naar de voorbumper en de koplampen van D8 GTO. „Net een leeuwenkop. Mannelijk, bruut en een tikje gemeen.” De actualiteit is ook een bron. „Dan denk ik: al die terreur in Parijs, in België, wat zal dat voor invloed hebben op ons product?” Nou? „De wereld wordt wat strenger, formeler. De auto’s zullen minder extravagant worden, rechtlijniger.” Elke dag tekent hij wel een nieuw model. Wat hij tekent wordt, klein, in klei nagemaakt en op ware grootte in schuim. „De jongens zetten dat in de computer.” Wat is hij, een auto-ontwerper of een kunstenaar in zijn atelier? Hij haalt zijn schouders op. „De meeste ontwerpen gooi ik weg. Tussen tekening en schaalmodel dient zich het ene na het andere technische probleem aan. Het is een immense struggle om het zo mooi te maken als het in mijn hoofd ontstond.”

Over één ding verschilt hij met ‘de jongens’ van mening, en dat is het gebruik van elektronica. „Het is bijna zover dat auto’s zelf kunnen rijden. Straks hoeven we alleen nog in te stappen. Het wordt ons erg makkelijk gemaakt. De vraag is: willen we dat wel?” Hij niet. Althans, niet in de Donkervoort. Je rijdt niet in een Donkervoort, zegt hij, je belééft hem. „Wind door de haren, de stuwende kracht van elke versnelling, de scherpte van elke bocht. Zelf rijden geeft een kick.” Dat moet je niet verpesten door elektronische snufjes.

De komende tien, twintig jaar zal de auto-industrie drastisch veranderen, voorspelt Donkervoort. De auto zal grotendeels verdwijnen, althans in de steden. De mensen die nog wel een auto nodig hebben, zal het niet interesseren in welk merk ze rijden. „In mijn tijd reed een BMW-rijder geen Japanner. Geen denken aan. Nu switcht men met gemak van Audi naar een Opel, als de laatste goedkoper is. Elektrisch rijden doen we straks allemaal en een auto wordt een gebruiksvoorwerp. Niet om te bezitten, maar om te delen.” Nu al wordt aan de auto weinig status meer ontleend. „Belangrijker is welke iMac of telefoon je hebt.”

Heeft Donkervoort straks nog bestaansrecht? Jawel hoor, zegt Donkervoort. En hij beroept zich op de wet van Lapine (naar Anatole Lapine, Porsche-designer). Eind negentiende eeuw werd voorspeld dat de auto het paard zou verdringen als vervoermiddel. En dat was ook zo. Het paard verloor functie en status en verdween uit de straten. Maar er was één uitzondering: het sportpaard. Dat verwierf juist méér status. Authentiek, duur, voor weinigen bereikbaar en dus exclusief. En zo zal het de auto ook vergaan, denkt Donkervoort. De auto is dood. Leve de sportauto.