Dat studievoorschot is zo slecht nog niet

Het studievoorschot is een eerlijke en sociale maatregel. Het spookbeeld van lege universiteiten zal zich niet voordoen, meent Arjan Miedema.

Protestdemonstratie in Amsterdam, 1967.
Protestdemonstratie in Amsterdam, 1967. Foto ANP

Afgelopen week ging de Eerste Kamer akkoord met het wetsvoorstel studievoorschot, een lening die de basisbeurs vervangt. De cijfers spreken voor zich. Anno 2014 krijgt iedere uitwonende student een studiefinanciering van circa 270 euro per maand; thuiswonende studenten krijgen 100 euro per maand.

De totale kosten van de studiefinanciering komen daarmee uit op 4,3 miljard euro. Ter vergelijk: aan het totale wetenschappelijke onderwijs wordt 4,1 miljard euro toegekend. Het hoger beroepsonderwijs moet het met veel minder doen (2,8 miljard). Slechts het primair en voortgezet onderwijs vormen een grotere kostenpost dan de post die studiefinanciering heet.

Hier staat tegenover dat universiteiten te weinig geld en te weinig docenten hebben. Door de exponentiële groei van het aantal studenten is niet alleen de kostenpost ‘studiefinanciering’ opgelopen, ook puilen de collegezalen uit. De onderwijsbegroting staat onder druk.

Natuurlijk is iedereen voor meer geld naar (hoger) onderwijs. Echter, in tijden van overheidstekorten en economische crisis is het dapper dat het ministerie van Onderwijs voor een maatregel kiest die die de interne verdeling van onderwijsgelden recht trekt. Door het studievoorschot te introduceren en studenten niet langer te ondersteunen met een gift maar met een lening tegen zeer gunstige voorwaarden, kan er meer geld worden gestoken in de kwaliteit van het onderwijs. Hard nodig.

Tegenstanders van het wetsvoorstel betogen dat de introductie van het studievoorschot zal leiden tot minder studenten, vooral uit sociaal-economisch lagere klassen. Ik denk van niet. Ten eerste gaat de aanvullende beurs – een gift – omhoog tot maximaal 350 euro per maand. Dat is een ruime beurs voor aspirant-studenten met minder kansen van huis uit.

Ten tweede laat het Verenigd Koninkrijk zien dat er, voordat jongeren besluiten om ‘dan maar niet’ te gaan studeren, heel wat moet gebeuren. In 2010 werd het collegegeld in Engeland verhoogd tot een perverse 9.000 pond per jaar. Dit exorbitant hoge bedrag (in Nederland is het collegegeld 1800 euro) leidde geenszins tot minder studenten. Integendeel, de jaarlijkse instroom steeg afgelopen jaar met 3,4 procent. Juist jongeren met een disadvantaged achtergrond kwamen naar de universiteit – die instroom steeg zelfs met 10 procent.

Wel blijven studenten in Engeland na een studie aan een gemiddelde universiteit zitten met een soms onbetaalbare studieschuld van 50.000 pond. Een risico dat ook het studievoorschot met zich meedraagt. Is het wel moreel verantwoord om een 18-jarige in korte tijd zoveel geld te laten lenen? En in hoeverre kan goede voorlichting hier een rol spelen?

De voorwaarden die aan het Nederlandse studievoorschot zijn verbonden, zijn in tegenstelling tot die in Engeland gunstig en eerlijk. Een toekomstig afgestudeerde betaalt nooit meer dan 4 procent van zijn of haar inkomen af en de lening heeft een looptijd van maximaal 35 jaar. Dit maakt de maandlasten overzichtelijk.

Al met al is het studievoorschot een eerlijke en sociale maatregel, met een ruime en sociale aanvullende beurs en een lening onder gunstige voorwaarden voor de beter bedeelden. Het spookbeeld van lege universiteiten zal zich niet voordoen, maar goede voorlichting is noodzakelijk.

Ten slotte moet het gevonden geld worden besteed aan een slimme investering in de kwaliteit van onderwijs. Dan krijgen de studenten weliswaar geen basisbeurs, maar wel beter en kleinschaliger onderwijs.