Op de terugweg van Mekka even langs Bartlehiem

Het is een scène uit duizenden. Allereerst is er de aanzegging, met de woorden ‘Ik ben een gezant van de Heer om u een reine knaap te schenken.’ Waarna de reine knaap dadelijk na zijn geboorte (niet in een stal, maar onder een palmboom) het woord tot zijn overbezorgde moeder richt: ‘Waarlijk, wees niet droevig, want uw Heer heeft uw nageslacht wettig gemaakt.’ Als Maria, want zo heette de moeder, haar kind naar haar volk brengt, spreekt dat ware woorden: ‘U heeft iets onvoorziens en onoverzienlijks gedaan.’

Iets onvoorzien en onoverzienlijks – dat geldt eeuwen na dato nog steeds voor het verhaal van Jezus’ geboorte. De citaten komen uit soera 19:16-35 in de woorden van Hafid Bouazza, die het kerstvers opnam in Vrede is deze nacht, zijn bloemlezing ‘Winterpoëzie’, die loopt van de negende tot de zestiende eeuw.

Het islamitische kerstverhaal smaakt naar meer, al is dat natuurlijk ook te danken aan het bandeloze taalgevoel van de vertaler met zijn ‘reine knaap’ en het ‘onoverzienlijke’ moederschap van Maria. Intussen toont de woordkunstenaar in de inleiding zijn studieuze kant: hij legt uit waarom Koranverzen zo uiteenlopend geïnterpreteerd en vertaald kunnen worden, en waarom de door hem gevolgde interpretatie van de Libanese taalkundige Christoph Luxenberg (een pseudoniem) omstreden is. Al worden de overeenkomsten tussen Soera 19 en het christelijke Kerstverhaal niet betwist.

Het grootste deel van Winterpoëzie bestaat uit vertalingen van Arabische poëzie uit latere eeuwen, waarbij het koudste jaargetijde centraal staat en de sneeuw dus vaak als ‘parels’ op het land ligt. Erg vaak: Arabische dichters zijn bepaald geen eskimo’s. Ze missen honderd woorden voor de kleur wit en nemen keer op keer hun toevlucht tot de parel-beeldspraak. Maar niet altijd. Neem deze fenomenale regels van Ibn Khafadjah (1038-1138), ‘de tuinman van Andalusië’, over een man op weg naar zijn taveerne:

Voorwaar sloeg een nacht zijn zomen op

en sleepte een witte wolk als franje over de aarde;

de sneeuw had het gezicht van de grond sluiergemaskerd

en de takken van de heuvels in lakens gehuld om zich te hokkelen;

zo vergrijsden wit, achter de veil van de duisternis,

de voorhoofdslokken van de takken en de kruinen van de hillen.

De vertaler stelt zich in zijn commentaren zo deemoedig en zakelijk mogelijk op, bijvoorbeeld wanneer hij in een aantekening over het woord ‘omtuchtig’ schrijft: ‘Misschien ben ik hier onnodig eufemistisch. Het Arabische baghiyya = prostituee, hoer etc.’ (Het ging over Maria).

Toch kun je je niet aan de indruk onttrekken dat de invloed van de polderbewoner Bouazza op deze teksten kolossaal is geweest. Dankzij hem hebben we nu twee Arabische regels van een millennium oud (van Abdallah Ibn Shimr) die als geen ander het gevoel van de natuurijsschaatser uitdrukken.

En het is alsof de neuzen van ons eraf gesneden

worden met scheermessen, door wervelwind en labberbries.

Er is maar één conclusie: de terugweg uit Mekka leidt langs Bartlehiem.